Doorzoek je binnenste meedogenloos; Drie geschriften van Petarca vertaald

Er zullen maar weinigen zijn die nooit van Francesco Petrarca hebben gehoord. Zijn naam was eeuwenlang een begrip in Italie en ver daarbuiten. Zijn enorme invloed berustte op zijn gedichten in het Italiaans en op zijn brieven en tractaten in het Latijn. Op beide terreinen was hij de grondlegger van een stroming; zijn poezie mondde uit in het petrarcisme, zijn levensbeschouwing leidde tot het humanisme.

Het is dan ook merkwaardig dat er van Petrarca tot voor kort maar zo weinig in het Nederlands beschikbaar was: enkele tientallen sonnetten, een handvol brieven en een paar prozafragmenten. Voor de eerste en tot nu toe enige volledige vertaling van een van zijn werken (De remediis utriusque fortunae) moesten we terug naar het jaar 1606. Gelukkig is er in die toestand verandering gekomen: dank zij de Haagse classicus Chris Tazelaar zijn er nu in een klap (en in een boek) drie Petrarca-geschriften in het Nederlands verschenen.

Het nu uitgekomen boek, dat in zijn klassieke vormgeving de schrijver alle eer aandoet, bevat drie teksten van Petrarca: een persoonlijke brief, een psychoanalytisch betoog en een meditatieve toespraak. Behalve deze vertalingen zijn er nog uitgebreide toelichtingen, een notenapparaat, een bibliografie en een naamregister. Hoewel deze appendices blijk geven van een bewonderenswaardige degelijkheid en eruditie, vraag ik me toch af of het erin vervatte commentaar in zijn algemeenheid niet te grondig is: soms kan een te ver doorgevoerde wetenschappelijkheid de tekst zelf overwoekeren. Overigens is het wetenschappelijk niveau op zichzelf boven elke twijfel verheven: zelfs doorknede Petrarca-kenners zullen in de noten nog heel wat van hun gading kunnen vinden.

Het boek opent met de (gedeeltelijk al eens door de dichter Leopold vertaalde) brief waarin Petrarca zijn beklimming van de Mont Ventoux beschrijft. Hij ondernam deze voor die tijd ongebruikelijke tocht in 1336, samen met zijn broer Gherardo. Oppervlakkig gezien lijkt de brief niet meer dan een reisverslag, maar het is, zoals Tazelaar overtuigend aantoont, een allegorische verbeelding van Petrarca's levensweg: de beklimming van de berg staat symbool voor het overwinnen van het aardse, dat in de ogen van de middeleeuwer immers een belemmering vormde om op te stijgen naar het hogere.

In deze brief (een van de ruim zeshonderd brieven die we van Petrarca bezitten) blijkt al hoezeer de schrijver zichzelf centraal stelt. Deze karaktertrek komt nog sterker naar voren in zijn Secretum, dat nu vertaald is onder de titel Het Geheim. Dit werk, dat als ondertitel draagt 'Over mijn in stilte uitgevochten innerlijk conflict', is voor de kennis van Petrarca's persoonlijkheid van fundamenteel belang. Het is opgezet als een dialoog tussen de schrijver en de kerkvader Augustinus. Zij discussieren met elkaar in het bijzijn van de Waarheid, die zwijgend bij het gesprek aanwezig is.

In Het Geheim legt de schrijver zijn innerlijke onrust en zijn morele en religieuze twijfels scherp bloot, waarbij Augustinus (een afsplitsing van Petrarca zelf) als een soort van kritisch alter ego fungeert. Het citaat 'doorzoek je binnenste meedogenloos' kan als motto dienen voor de niets en niemand ontziende psychoanalyse die Het Geheim in wezen is.

Petrarca's karakter kenmerkt zich door wankelmoedigheid, melancholie en onvrede over zichzelf: 'Ik voel in mijn binnenste steeds iets dat onvervuld blijft, ' verzucht hij ergens. Hij weet dat hij zijn aardse ondeugden moet beteugelen, maar beseft dat hij daar eigenlijk niet toe in staat is. Weten, willen en kunnen lopen bij hem niet harmonisch in elkaar over, en hij voelt dat het levensideaal door hem bij lange na niet wordt verwezenlijkt. Dit komt enerzijds door een soort apathie die hem neerslachtig en machteloos maakt, en anderzijds door zijn zinnelijke begeerte (gepersonifieerd in Laura) en zijn verlangen naar roem (geconcretiseerd in de dichterkrans). Om het in Petrarca's Latijnse terminologie samen te vatten: zijn accidia belet hem om zich van Laura en de laurea los te maken.

Deze problematiek maakt Het Geheim tot een buitengewoon boeiende en nog altijd actuele karakterbeschrijving. Waarschijnlijk bestaat er geen ander in het Latijn geschreven werk waaruit de sensibiliteit van de zichzelf analyserende mens zo duidelijk naar voren treedt. De Petrarca, die zich in Het Geheim aan een diepgaand zelfonderzoek onderwerpt, is de exponent bij uitnemendheid van de overgangsperiode tussen Middeleeuwen en Renaissance: Dante ligt achter hem, Machiavelli moet nog komen.

Verlokkingen

In vergelijking met Het Geheim valt het tractaat Godgewijde Ledigheid (een vertaling van de Otio Religioso) enigszins tegen. Het is een zeer lang betoog, of liever een toespraak, gericht tot de kartuizer monniken van Montrieux, bij wie 'sschrijvers broer Gherardo in 1342 was ingetreden. Petrarca gaat in deze preek (want daar lijkt het veel op) uitvoerig in op het kloosterleven, dat wil zeggen op de spirituele beleving ervan. Hij belicht niet alleen de idealen (de deugden, het eeuwig heil, de geestelijke verdieping), maar wijst ook op de gevaren (de duivel, de zinnelijke lust, de verlokkingen van de wereld). Het expose is zeker niet oninteressant, maar door de vele raadgevingen, aansporingen en vermaningen die het bevat krijgt het iets moralistisch: een eigenschap die in dit geval door Petrarca's krachtige persoonlijke engagement maar nauwelijks wordt gecompenseerd.

Toch is de lectuur van Godgewijde Ledigheid zeker de moeite waard. Dat komt in hoofdzaak doordat het tractaat, misschien meer dan welk ander werk van Petrarca ook, laat zien dat diens humanisme rust op twee pijlers: enerzijds op de klassieke oudheid en anderzijds op de bijbel en het christendom. Op beide gebieden is zijn geleerdheid imposant. Hij bewondert de grote denkers en dichters uit het verleden, maar ziet ook voor zichzelf in de cultuuroverdracht een plaats weggelegd: 'Gesproken woorden, hoe zwaarwichtig ook, vervliegen; geschreven teksten, zelfs luchtige, blijven bestaan: ik zal dus schrijven.'

En al schrijvend behandelt hij de meest complexe menselijke problemen en daarbij citeert hij moeiteloos uit de antieke literatuur, de heilige schrift en de kerkvaders. 'Ik streef altijd variatie na, ' merkt hij op, 'en daarom probeer ik in een voor leken bestemd betoog mijn stijl levendig te maken door het invoegen van bijbelteksten. Om dezelfde reden vind ik het aantrekkelijk om in een gezelschap van niet-leken met niet-christelijke citaten aan te komen.' Van de oud-christelijke literatuur is Augustinus zijn uitgesproken favoriet. In hem herkent Petrarca zichzelf: de worsteling om tot de waarheid te komen, de twijfels op religieus gebied, de innerlijke tweestrijd. Ook de klassieke auteurs zijn voor hem heilig. Hoewel hij geen Grieks kent, noemt hij Plato (met wie hij via vertalingen en bewerkingen vertrouwd is) 'de grootste onder de filosofen, wiens denken meer dan dat van wie ook overeenstemt met onze godsdienst'.

Onder de Romeinen voelt hij zich het sterkst aangetrokken tot Vergilius en Cicero. Aan deze laatste ('de coryfee van de Latijnse welsprekendheid') ontleent hij zelfs zijn Latijn.

In tegenstelling tot de periode voor hem benadert Petrarca de klassieke auteurs niet als autoriteiten maar als mensen met wie men kan communiceren. Hier ligt trouwens ook de kracht van zijn humanisme: hij is geen dogmatische denker maar een existentiele zoeker.

Ouderwets

De vertaling van de drie Petrarca-teksten is inhoudelijk vlekkeloos, maar laat stilistisch te wensen over. Tazelaars Nederlands is wat woordkeus betreft vaak ouderwetser dan Petrarca's Latijn. Dit euvel doet zich met name voor in de bijbelcitaten, die vooral in Godgewijde Ledigheid abondant aanwezig zijn. Woorden als 'wandelen' (in de betekenis van leven) en 'verzoeken' (in de betekenis van verleiden) hebben hun tijd gehad, om nog maar te zwijgen over zinnen als 'Houw mijn smaadheid af' en 'Het paard faalt ter redding'. Storend zijn ook de vele meervoudsimperatieven die niemand meer gebruikt, en de vorm 'de Here'. Dit idioom is voor het overgrote deel van de lezers onverstaanbaar, om niet te zeggen afschrikwekkend, geworden. Je hoeft niet voor een populariserende bijbeltaal te zijn om de archaische pendant ervan af te wijzen.

Ofschoon het jammer is dat Petrarca's schriftkennis op deze manier vernederlandst is, wordt de uitgave als geheel er niet wezenlijk door aangetast. Wie met de rijke eruditie en gedachtenwereld van de Italiaanse homo littetus wil kennismaken, komt in dit boek ruimschoots aan zijn trekken. Een zeker doorzettingsvermogen is wel vereist, maar dat ligt bij een schrijver van dit formaat voor de hand.

    • Toelichting Chris Tazelaar. Uitg. Ambo
    • de Top van de Ventoux
    • Frans van Dooren Petrarca
    • Godgewijde Ledigheid. Vert
    • het Geheim