Coalitiepartners willen scherper regime voor aftreklijfrentepremie

DEN HAAG, 14 sept. De coalitiefracties van CDA en PvdA willen een verscherping van het fiscale regime voor lijfrenteconstructies. De maximaal aftrekbare lijfrentepremie zou niet meer dan zesduizend gulden mogen bedragen. Het kabinet zal het wetsvoorstel 'Brede Herwaardering' nu aanzienlijk moeten wijzigen.

Dit blijkt uit de jongste schriftelijke stukken die beide partijen hebben ingediend ter voorbereiding van de behandeling van het wetsvoorstel in de Tweede Kamer. CDA en PvdA hebben over de door hen gewenste wijzigingen onderling overleg gepleegd. De 'Brede Herwaardering' behelst een wijziging van de fiscale regels voor onderhoudsvoorzieningen en spaarvormen (lijfrente en kapitaalverzekeringen). In een afzonderlijk voorstel worden de egalisatiereserves van verzekeraars aan banden gelegd. Vermogensoverschotten van pensioenfondsen worden aan een heffing onderworpen. De voorstellen moeten 750 miljoen gulden opbrengen. De opbrengst van de voorgestelde wijzigingen is nog onduidelijk.

Het (reeds door het vorige kabinet ingediende) voorstel beperkte de lijfrente-aftrek tot gevallen waarin het gaat om een echte onderhoudsvoorziening. Daar stond tegenover dat de maximum-premieaftrek van ruim zestienduizend gulden kwam te vervallen. In de visie van het kabinet zou vanzelf een 'natuurlijk maximum' ontstaan. De beide coalitiefracties geloven hier niets van. Volgens hen zal een aantal belastingplichtigen de aftrek ongelimiteerd opvoeren om zo het belastbaar inkomen tot een minimum terug te brengen. CDA en PvdA stellen daarom een maximum-premeaftrek voor van 6000 gulden per jaar.

De coalitiefracties willen wel een zekere relatie leggen tussen de lijfrente en het in de actieve periode genoten inkomen. Zij gaan er hierbij vanuit dat de AOW en het aanvullend pensioen op 70 procent van het laatst verdiende loon moeten kunnen uitkomen, zoals nu bij de meeste pensioenregelingen al het geval is. Daarom moet volgens CDA en PvdA een extra lijfrente-aftrek mogelijk zijn voor personen met een vrij beroep, degenen die sterk wisselende inkomsten genieten en degenen die een forse pensioenbreuk hebben opgelopen. De aldus opgebouwde pensioenvoorziening mag echter het bedrag van 150 a 200 duizend gulden (per jaar) niet te boven gaan. Wie meer pensioen wil opbouwen kan geen gebruik meer maken van fiscale faciliteiten. Met het oog op de controle moeten belastingplichtigen die van de gunstige fiscale regelingen gebruik willen maken hun reeds opgebouwde pensioenrechten aan de fiscus opgeven.

Het CDA stelt ook zogenoemde levenhypotheken ter discussie. De fiscale voordelen van zulke hypotheken leiden volgens de fractie tot ongelijkheid met huurders. De PvdA wil eerst de voorstellen van de commissie-Stevens afwachten.

Het CDA wil op het punt van de egalisatiereserves een soepeler regeling voor storm- en hagelverzekeraars. De fractie wil voorts uitleg over de lage belastingdruk (2 procent) voor hier werkzame buitenlandse verzekeraars.