Brood op de plank

Toen de Koerden door Saddam Hussein met gas werden bewerkt hoorde je niemand klagen dat de internationale rechtsorde werd bedreigd, maar nu hij Koeweit heeft bezet, schreeuwt iedereen moord en brand. Dat komt omdat er olie in de grond zit.

Dit argument hoor je op het ogenblik veel van mensen die niemand zich herinnert als vechters voor de Koerdische belangen voor een week of zes geleden Saddam aan zijn spraakmakende bedreiging van de internationale rechtsorde begon. Die oliemoralisten hebben dus ook een ander belang op het oog dan dat van de Koerden. In ieder internationaal conflict komen ze tevoorschijn met hun gelegenheidsverontwaardiging. Het is niet duidelijk wat ze verder willen behalve natuurlijk de vrede. Zouden de Amerikanen nu hun biezen pakken, dan zou je ze daarna ook niet meer over Saddam en de Koerden horen, al werd het hele volk door deze wereldvijand nummer 1 gevild.

De enige Nederlander die ik me herinner als consequent verdediger van het Koerdische volk, woonde vroeger in de Da Costastraat in Amsterdam: Sylvio van Rooy. Een magere, bleke jongen van een jaar of dertig, met misschien wel de eerlijkste, zachtaardigste blik die ik ooit heb gezien. In het huis waar hij ook zijn vrouw en veel kinderen had ondergebracht, was nauwelijks ruimte voor wat we een gewoon gezinsleven noemen omdat alles in beslag werd genomen door boeken, kranten en andere documentatie over de Koerden. Hij gaf een in het Engels geschreven blaadje uit, Kurdish Facts, dat een beetje op Time leek en waarin hij met de frequentie die door zijn bedrijfskapitaal werd bepaald, de grote pers van de lotgevallen der Koerden op de hoogte hield. Ook toen werden ze van alle kanten bedreigd en evenmin als nu trok men zich in de rest van de wereld daar veel van aan, behalve in de Da Costastraat. Soms kocht Anton Constandse, de chef van de redactie buitenland van het Algemeen Handelsblad, een stukje van hem en ik geloof dat hij Van Rooy ook weleens subsidie zonder tegenprestatie gaf. In de Winkler Prins wordt hij genoemd, samen met Kees Tamboer, als auteur van de Kurdish bibliography nr. (twee delen, 1968). Als je hem afmeet naar zijn belangeloosheid en zijn volharding kom je tot de slotsom dat Sylvio van Rooy, zij het met een ander onderwerp en in andere tijden, het gemakkelijk tot heilige had kunnen brengen. Nu dwaalt hij in de geheugenperiferie van een paar mensen nog rond, voornamelijk als de Don Quichotte der Koerden voorzover niet als zonderling. Hij is jaren geleden gestorven. Als hij nog leefde zou hij nu misschien eindelijk zijn finest hour hebben beleefd.

Men kan het treurig vinden maar de conjunctuur van de politiek bepaalt of specialisten op het een of andere gebied als vakidioten in een zijkamer van een instituut hun dagen slijten, dan wel het plotseling als deskundige tot Bekende Nederlander brengen. Ik kom erop, niet omdat ik vrees dat de crisis om Koeweit een terugslag in de inkomsten van dr. Martin van den Heuvel tot gevolg zal hebben, maar door het laatste nummer van The New York Review of Books, waarin vier boeken over Irak en zijn heerser worden besproken. Een ervan is een herdruk die in oktober zal verschijnen, de tweede komt in november en de andere zijn nu al beschikbaar. Het artikel heet De dief van Baghdad, wat me van dit huisorgaan der internationale intelligentsia een beetje tegenvalt. Maar misschien zit er een andere gedachte achter: als je iets zeer voor de hand liggends opeens in zeer onverwacht verband ziet, krijgt het een nieuwe frisheid, dat is in de beeldende kunst het geheim van de ready mades en aan de andere kant, een poging tot oorspronkelijkheid die mislukt is erger dan helemaal geen poging. De dief van Baghdad is dus goed beschouwd een uitstekende kop.

Het interessantste van de besproken boeken lijkt me Saddam Husseins biografie, geschreven door de Libanese journalist Foead Matar. Het boek is verschenen in 1981. Acht jaar oorlog tussen Irak en Iran zijn niet voldoende geweest om een herdruk te veroorzaken, maar daar heb je het weer: nauwelijks heeft Saddam naar de olie gewezen of de persen gaan draaien, er wordt een nieuwe glossy stofomslag gemaakt, de naam van de auteur wordt in de haast verkeerd gespeld maar gelukkig niet die van de dictator zelf, en de exemplaren vliegen de deur uit.

Moeten we daarom Foead Matar en zijn uitgever profiteurs van de crisis noemen? Hou toch op met die moralistische onzin. Wees blij dat er Amerikanen zijn.

    • H. J. A. Hofland