Oud-strijder bezint zich op de oorlog

Een fraai voorbeeld van 'eind goed, al goed' is het beloop van de relatie tussen de Verenigde Staten en de Sovjet-Unie in het Midden-Oosten. De eensgezindheid in de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties sinds Irak begin vorige maand Koeweit binnentrok, werd afgelopen weekeinde in Helsinki onderstreept door de presidenten Bush en Gorbatsjov.

Het is niet de eerste keer dat Amerikanen en Russen over het Midden-Oosten heen in elkaars armen zijn gevallen. Op zaterdag 1 oktober 1977 werd in Washington en Moskou een gemeenschappelijke verklaring gepubliceerd waarin werd gepleit voor een vredesregeling in de regio. Amerika betuigde daarin voor het eerst officieel zijn instemming met de 'wettige rechten van het Palestijnse volk'.

De relatie tussen de VS en de Sovjet-Unie zou nog vele 'ups' en 'downs' doormaken, maar wie in de ordenende hand van de lange termijn wil geloven, mag uit de gelijkgerichtheid op hoofdpunten van de verklaringen van 1977 en van jongstleden zondag kracht putten.

Waar de curve van het verblijf van het individu op aarde zich uiteindelijk onvermijdelijk op de nul-as richt, daar ziet de mensheid als geheel voor de lange termijn graag een gestaag oplopende trend waaromheen de curve zich langs hoogte- en dieptepunten omhoog schroeft. De theorie van de lange termijn, geijkt door de Russische econoom Kondratieff, gaat uit van een technologische impuls per een tot anderhalve generatie. Daarmee is de economie een optimistische wetenschap zoals J. J. van Duijn onlangs in ESB, reagerend op de actualiteit nog eens aantoonde. Zij staat dus haaks op bijvoorbeeld de polemologie die als afsplitsing van het recht veel denk- en regelwerk noodzakelijk acht, wil er nog iets van terechtkomen.

Maar nu is er een 'Kondratieff' van de polemologie opgestaan, een denker van de lange termijn die uit de spontaniteit van de menselijke geest een, nog voorzichtig, optimisme destilleert. Zijn naam is William Pfaff en hij schrijft uit Parijs al jaren leerzame en stimulerende kronieken in de International Herald Tribune. Pfaff verwerpt oorlog. Hij schrijft met het oog op het hier en nu en eindigt dicht bij zijn lezers: 'Ik schrijf dit als iemand die geen pacifist is en die zelf ooit enthousiast en voor een grootse zaak ten strijde trok, en daar geen spijt van heeft, maar die ouder is geworden en thans ertoe wordt bewogen zich te bezinnen op wat Iraniers en Irakezen elkaar gedurende acht jaar aandeden; en op wat Amerikanen en Irakezen nu op het punt staan elkaar aan te doen.' De in de kop van zijn bijdrage opgeworpen vragen luiden: wat brengt een oorlog nu tot stand en tegen welke prijs? Zijn antwoord op de eerste vraag is niet 'niets'. Oorlog rekende af met Hitler, schiep Israel en hield het in leven, beslechtte het lot van Vietnam, de twee Korea's en de Falklands. Oorlog zou kunnen beslissen over de toekomst van Saddam Hussein als heerser in Koeweit en zelfs in Irak. Maar, meent Pfaff, oorlog is niet meer dan een katalysator van krachten die al bestaan. Deze kunnen een uitweg vinden via oorlog, maar evengoed via een alternatief dat bovendien voor alle partijen verrassend kan zijn.

Voorbeelden: Frankrijk en de Verenigde Staten vochten beide in Indochina teneinde het 'Aziatische communisme' er van te weerhouden Azie te veroveren (de eendimensionale weergave van het conflict, JHS). Beide mogendheden verloren, maar het communisme slaagde niet in zijn veronderstelde opzet. Groot-Brittannie en Frankrijk vielen in 1956 Egypte binnen om te verhinderen dat Nasser met de annexatie van het Suezkanaal de Arabische wereld onder zijn invloed zou brengen. Zij faalden en, meent Pfaff, het maakte geen verschil.

Dan doet de schrijver zijn grote sprong in het niets: Stel dat de Britten na de val van Frankrijk in 1940 Hitlers aanbod tot vrede hadden aanvaard. De latere Duitse inval in de Sovjet-Unie zou dan waarschijnlijk met succes zijn bekroond. Wat zou het gevolg zijn geweest: een duizend- of een tienjarig rijk? Pfaff hoeft niet te worden gewezen op de verschrikkingen die zelfs gedurende tien jaar de Europese mensheid zouden hebben getroffen. Maar, kijk nu eens wat er met de Sovjet-Unie is gebeurd? Bijna iedere analist in de jaren vijftig, zestig en zeventig, herinnert de auteur zich, ging ervan uit dat het Sovjet-systeem zich onbeperkt zou kunnen continueren, afgezien van een van buitenaf toegebrachte schok. En toch viel de hele structuur in luttele maanden uiteen. Het systeem ging aan zichzelf te gronde. Zou hetzelfde waar kunnen zijn geweest in een Hitler-Europa? Zou een dergelijk Europa een soortgelijke weg hebben afgelegd als Stalin-Oost-Europa langs een nazi-Chroesjtsjov, een dooi, een Duitse Gorbatsjov? We weten het niet, geeft Pfaff toe, maar we kunnen een redelijke mate van zekerheid hebben dat Hitlers onmenselijke systeem het niet de duizend jaar zou hebben volgehouden die de Fuhrer had uitgestippeld.

Pfaff roept nog wat geesten op om zijn vragender- en veronderstellenderwijs opgezette redenering relief te geven: Malaparte, die meende dat de Amerikanen die Europa bevrijdden voor niets waren gestorven en die het beschamend vond een oorlog te winnen; Montesquieu, die ter voltooiing van alle plagen de gewapende mannen zag opstaan om elkaar uit te roeien. Pfaff had de Indische sage Mahabharata kunnen toevoegen.

Is het fair om, zoals hierboven is gedaan, Pfaff optimisme aan te wrijven? Zeker wel. De pacifist zegt: oorlog is afschuwelijk, alles is beter dan dat (slechts de naieve geest gelooft in de heilzaamheid van geweldloos verzet onder alle omstandigheden). De rationalist meent dat oorlog afschuwelijk en zinloos is. Pfaff komt er niet recht voor uit, maar hij suggereert dat oorlog onnodig is, op de lange termijn, dat wel. Zelfs de diepst gezonken menselijke samenleving behoudt regenererende kracht, lijkt zijn slotsom.

Er blijft, zoals altijd, een probleem. In het Hitler-voorbeeld vergen oorlog en 'vrede' beide mensenlevens, gaat de menselijkheid verloren (Pfaff hoopt voor afzienbare tijd), is er, zachtzinnig gezegd, een verval van waarden.

Oorlog voeren en vrede bewaren onder de omstandigheden van de Koude Oorlog gaat ten koste van mensen, beschaving en schone handen. In de relatie tussen Oost en West is dat in de afgelopen 45 (of 73) jaar bewezen als dat bewijs al moest worden geleverd. Bovendien: het herstelwerk in Oost-Europa moet op alle gebieden nog beginnen. De ineenstorting van wat was, zegt niets over de kwaliteit van wat straks zal zijn. H. J. A. Hofland tekende uit de mond van Joeri A. Gremitskich, woordvoerder van het Sovjet-ministerie van buitenlandse zaken, op: 'Wij zijn erin geslaagd een nieuwe mens te ontwikkelen, die genoegen neemt met een lagere levensstandaard om daarvoor minder te hoeven werken'.

En welke karaktertrekken zal deze nieuwe mens verder nog hebben verworven? De lange termijn is een termijn van schone schijn, van hoop en van dromen, van wachten tot het beter wordt, van passief optimisme: niets rest ons dan optimisme. Waarschuwend zei John Maynard Keynes dan ook: In the long run, we are all dead. Met andere woorden: doe er wat aan, zolang het nog kan. Om nog even bij Kondratieff langs te gaan: hij wist ook wel dat de door hem waargenomen technologische impulsen geen natuurverschijnselen waren.

    • Commentator Nrc Handelsblad
    • J.H. Sampiemon