Nieuw systeem voor subsidiering theater onderwerpdiscussie

ROTTERDAM, 13 sept. George Lawson, hoofd Podiumkunsten van het ministerie van WVC, kon het niet genoeg benadrukken: 'Het 'afnamefonds' is maar een van de mogelijkheden; ieder beter idee is welkom.'

Maar enigszins dreigend liet hij tegelijkertijd weten de discussie voor 1991 te willen afronden, de toestand is immers te alarmerend.

In het randprogramma van het eind deze week aflopende Theaterfestival in Rotterdam werd gistermiddag levendig gediscussieerd over dit 'afnamefonds', een nieuw subsidieringsstelsel dat de dramatische terugloop van bezoekcijfers bij de gesubsideerde podiumkunsten moet bestrijden. Het is onder meer gebaseerd op onderzoek van zelfstandig onderzoeker Hans Onno van den Berg.

Belangrijkste debater was Lawson, gesecondeerd door Van Den Berg, oud-wethouder van Amsterdam Walter Etty en Pim van Klink, directeur van onder meer het Oosterpoorttheater in Groningen en voorzitter van de Vereniging van Schouwburg- en Concertgebouwdirecties (VSCD). Afwezig was Gerardjan Rijnders, artistiek leider van Toneelgroep Amsterdam, die in het septembernummer van Toneel Theatraal fors uithaalt naar het op handen zijnde 'gereshuffle en geflikker met gelden en potjes' en het 'vals gejongleer met uitkoopsommen en partageregelingen'. Volgens het nieuwe stelsel, dat in 1992 zijn beslag zou moeten krijgen, wordt een deel van de subsidiegelden voor theatergezelschappen overgeheveld naar een afname- of programmeringsfonds, waaruit 'premies' betaald worden aan theaters en schouwburgen, op grond van een programmering met een hoog artistiek niveau en een groot publieksbereik. Met deze premies kunnen de betreffende zalen hogere uitkoopsommen betalen aan het gesubsidieerde theater, dat daardoor gedwongen wordt 'interessante' produkties te brengen en meer te reizen. Hierdoor zouden meer mensen een bezoek aan het theater brengen. Veel theatermakers zien in het plan een aantasting van hun artistieke vrijheid.

George Lawson gaf gistermiddag te kennen geschrokken te zijn van de heftige reacties die het plan heeft uitgelokt. Lawson betoogde, dat 'hetprotest de proporties van de kwestie verre overstijgt'.

In een'poging tot ontmythologisering' verwierp hij de gedachte dat het plan leidt tot een 'dictatuur van bezoekcijfers en van schouwburgdirecties'.

Hij zei nog steeds te vinden dat bezoekcijfers niet de inhoud van kunst mogen bepalen en voegde daaraan toe dat het nieuwe systeem eerder de schouwburgdirecties dan de theatermakers onder politieke curatele plaatst. Anderzijds voorzag hij 'rampen' indien op korte termijn niet iets gedaan wordt aan de magere 'maatschappelijke respons' op de podiumkunsten. In de periode van 1980 tot en met 1988 zijn de bezoekcijfers met meer dan de helft teruggelopen.

Hans van Westreenen, directeur van de Koninklijke Schouwburg in Den Haag en aanwezig als toehoorder, reageerde met een afwijzing van welk nieuw stelsel dan ook. Hij riep op tot een 'cultuurfilosofisch debat' tussen theatermakers en schouwburgdirecteuren, met buitensluiting van WVC, waar 'de ene minister pleit voor het gezin en de volgende voor het gebroken gezin'.

Volgens hem lag de oplossing vooral in een verbetering van de verstandhouding tussen theatermakers en schouwburgdirecties. Hij achtte het daarom tekenend dat geen enkele artistiek leider aanwezig was bij het debat. Volgens Hans Onno van den Berg is het moeilijk de theatermakers nog serieus te nemen; hij twijfelde aan het belang dat deze hechten aan een zo groot mogelijk publieksbereik 'als zij anderzijds niet willen dat dat publiek medebepaalt hoe hun voorstellingen eruit zien.'

    • Pieter Kottman