Minister Braks kreeg advies geen percentages te noemen vanvisoverschrijdingen; Ambtenaren; vangstcijfers 'boterzacht'

DEN HAAG, 13 sept. Een onaangename verrassing. Zo beschrijft secretaris-generaal mr. T. H. J. Joustra van het ministerie van landbouw, natuurbeheer en visserij op de hoorzitting van de Tweede Kamer over de falende controle op het visserijbeleid, de mededeling eind januari van dit jaar dat de Nederlandse vissers de toegestane hoeveelheden gigantisch hadden overschreden. Het ging daarbij om percentages tussen de dertig en tachtig procent. De hoogste ambtenaar van het ministerie is gisteren als laatste gehoord door de Kamercommissie voor de visserij die de tweedaagse hoorzitting heeft afgesloten. Het verslag van de verhoren wordt morgen openbaar gemaakt.

Joustra is, zo blijkt uit zijn verklaring, net terug van een wintersportvakantie als hij door zijn collega's wordt ingelicht: 'Het was een forse overschrijding. Zo'n bericht is niet bepaald wat ik mij na mijn vakantie had voorgesteld. Ik vond het nogal vervelend dat er opeens weer een overschrijding van die grootte werd gemeld. Uiteraard stel je dan de vraag: hoe kan dit nu opeens, waar komt dat vandaan?' De secretaris-generaal ziet direkt de politieke gevolgen die deze informatie kan hebben voor minister Braks, die na een parlementaire enquete over de fraude met vis is beschuldigd van 'verwijtbaar medeweten'. Nog diezelfde middag belegt Joustra een vergadering met de direkt betrokken ambtenaren en de top van de Algemene Inspectiedienst (AID) van het ministerie. Er moet snel gehandeld worden want een week later moet Braks zich in de Tweede Kamer verantwoorden voor het visserijbeleid. Joustra en zijn collega's bespreken enkele controlemaatregelen en komen tot de conclusie dat de minister maar beter niets kan zeggen over de hoeveelheden illegale vis.

De overschrijding wordt de ambtenaren van Landbouw en Visserij gemeld door ing. J. K. Nooitgedacht van de Nederlandse Vissersbond en K. Kramer van de Federatie van Visserijverenigingen in twee vertrouwelijke gesprekken op het ministerie. Eerst alleen met drs. G. van der Lely, directeur-generaal voor de voedsel- en landbouwvoorziening en daarna met hem en Joustra's plaatsvervanger mr. M. Brabers, die tevens verantwoordelijk is voor de wijze waarop de AID het opsporingsbeleid uitvoert. Bij het laatste gesprek op 22 januari van dit jaar is ook de adjunct-directeur van de AID, J. Enting aanwezig. De voormannen uit de visserij melden vangstoverschrijdingen, in het bijzonder op tong, van wel tachtig procent. Ze baseren zich op gegevens van de groothandel en op de prijs voor tong die door de grote illegale aanvoer fors is gedaald. Als Enting de ambtenaren van het ministerie probeert gerust te stellen met de mededeling dat het hooguit om dertig procent overschrijding kan gaan, snauwt Van der Lely: 'Man, dat is toch ook onverkoopbaar.'

Van der Lely vertelt de Kamercommissie dat hij de verontrustende berichten van Kramer en Nooitgedacht wel een ernstige zaak vindt, maar de door hen genoemde percentages vindt hij 'boterzacht'.

Ook al omdat blijkt dat de AID van een aantal zaken goed op de hoogte is en in het bijzonder een bedrijf op Urk al een tijdje in de gaten houdt.

Toch wordt de zaak besproken met de minister. 'Ik heb de minister zeer nadrukkelijk voorgehouden dat een overheid die dergelijke cijfers naar buiten brengt, cijfers die niet te onderbouwen zijn, heel goed uit moet kijken wat ze aan het doen is', zegt Van der Lely op vragen uit de commissie. Ook Brabers adviseert Braks om in de brief die begin februari naar de Tweede Kamer gaat geen percentages te noemen. De plaatsvervangend secretaris-generaal staat daar nu nog achter, zo leert zijn relaas op de hoorzitting: 'U zult mij nooit een percentage horen noemen. Ik neem voor geen enkel percentage enige verantwoordelijkheid.' En zo gebeurt het dat minister Braks in een commissievergadering met de Tweede Kamer op 5 februari vragen van Kamerleden over de omvang van de illegale vangsten beantwoordt met de mededeling dat er weliswaar signalen zijn, maar dat hij 'geen enkele aanwijzing heeft dat het om overschrijdingen tussen de dertig en tachtig procent zou gaan'.

Zoals afgesproken met zijn ambtelijke top somt Braks vervolgens een aantal maatregelen op die de controle moeten verbeteren. Bovendien deelt hij mee dat de al jaren omstreden groepscontingenten (de totale hoeveelheid die per soort mag worden gevangen) zullen worden afgeschaft.

Zowel Brabers als Van der Lely houden op de hoorzitting vol dat de minister de Tweede Kamer juist heeft ingelicht. 'Naar mijn smaak heeft de minister de Kamer adequaat ingelicht', zegt Van der Lely, maar hij toont tegelijk enig begrip voor de ergernis bij de Kamerleden: 'Als je het achteraf nog eens leest, kun je je afvragen of dit de gelukkigste wijze van uitdrukken was. Toch was niet mis te verstaan dat de minister op de hoogte was en hij heeft in die vergadering gepoogd zijn zorgen te doen blijken.' Op het ministerie van landbouw was al veel eerder, in l988 en l989 alarm geslagen over de vangstoverschrijdingen. Dat deed ir. W. L. A. G. Tacken, destijds directeur Visserij, die op grond van zijn eigen berekeningen ook de gegevens over de vangsten in het computersysteem van de AID verhoogde. In zijn verklaring voor de Tweede Kamercommissie zegt Tacken dat hij zich niet realiseerde dat zoiets niet mocht: 'Ik heb mij laten leiden door de in de praktijk gegroeide situatie'.

De verontruste ambtenaar, die door de jaren heen rechtstreeks vanuit de vissershavens op de hoogte werd gehouden van wat er in het 'grijze circuit' omging, stelde iedere keer zijn chef Van der Lely op de hoogte, maar ook Brabers wegens diens verantwoordelijkheid voor de wijze waarop de AID controleert. De laatste bleek Tacken niet erg serieus te nemen. Voor de commissie schetst Brabers hem zo: 'Hij is een gedreven persoonlijkheid. Het lag in zijn karakterstructuur opgesloten dag en nacht met de vis bezig te zijn. Tacken was zo ongeveer het visserijbeleid. Ik herinner mij nauwelijks gesprekken die over iets anders gingen.'

Volgens Brabers maakte Tacken het helemaal te bont door ongeveer te eisen dat de AID iedere week de tegen vissers opgemaakte processen verbaal naar het ministerie zou sturen.