Lubbers slaat plank mis met strengere straffen

Misschien onbedoeld, hebben de uitspraken van minister-president Lubbers over strengere straffen en de zieke samenleving alvast een winstpunt opgeleverd: in brede kring is zijn opvatting van de hand gewezen, dat strenger straffen wezenlijk bijdraagt aan het beheersbaar maken van de criminaliteit. Weliswaar denkt de achterban van de minister-president en niet alleen zijn eigen electoraat daar, blijkens onderzoekscijfers, anders over, maar van deskundige zijde is beklemtoond dat strenger straffen de zware criminaliteit niet afremt en de veel voorkomende criminaliteit niet indamt.

Strenger straffen werkt bovendien discriminerend voor bepaalde bevolkingsgroepen en vergroot de druk op de gevangeniscapaciteit nog verder, zowel door langere gevangenisstraffen als door vervangende hechtenis voor hen die de hoge boetes niet kunnen betalen. Dat dit allemaal wordt erkend is pure winst. Maar wat zijn de alternatieven? Veel aandacht is besteed aan het verhogen van de pakkans. En een grotere pakkans is voor het terugdringen van de criminaliteit ongetwijfeld effectiever dan strenger straffen. Maar het is te gemakkelijk om daarmee het vraagstuk af te doen. Even wezenlijk is het oog te hebben voor wat er gebeurt voor en na het pakken van 'criminelen'. Elementaire vragen zijn bijvoorbeeld: hoe kan worden voorkomen dat mensen delicten plegen? Wat zijn de achterliggende oorzaken? En als er dan toch moet worden gestraft, hoe kan dat zinvol gebeuren? Hoe wordt recidive voorkomen? Bij pogingen om criminaliteit te voorkomen wordt veel aandacht en geld besteed aan 'technopreventie' en toezicht. Dat is in lijn met het beleidsplan Samenleving en Criminaliteit van de vorige minister van justitie. Maar de achterliggende vraag naar het waarom van criminaliteit is daarbij niet meer aan de orde. Dat was nog wel het geval in het rapport van de commissie Roethof, dat aan Samenleving en Criminaliteit voorafging, maar een antwoord paste kennelijk niet in het beleid van de toenmalige regering Lubbers wegens de hoge investeringen.

Achterstand

Wie in de strafrechtspleging werkzaam is, weet dat het overgrote deel van de strafrechtelijk vervolgden een wezenlijke achterstandspositie heeft: weinig scholing, vaak werkloos, slecht gehuisvest, geen of gebrekkige maatschappelijke integratie. Voorts is er een oververtegenwoordiging van allerlei minderheidsgroepen en psychisch gestoorden. Van die laatsten hadden vroeger velen een plaats in het volksgezondheidscircuit. Gewijzigde inzichten, maar zeker ook de bezuinigingen hebben hen daarbuiten geplaatst. En nu mag justitie het opknappen. Een andere structurele factor is het gegeven dat in slechte economische tijden de criminaliteit stijgt en dat zij in betere tijden daalt.

Van een overheid die serieus iets wil doen aan criminaliteitsbeheersing, mag worden verwacht dat zij veel energie steekt in het oplossen van deze achterliggende vraagstukken. Dat wil geenszins zeggen dat de delinquent niet mag worden aangesproken op zijn daden. Het is niet 'of' maar 'en'. Zowel de minister-president als de commentaren op zijn redevoering besteden veel aandacht aan de relatie tussen nieuw beleid en de handhaving daarvan. Bedenkelijk is echter dat bij handhaven direct gedacht wordt aan justitieel ingrijpen, terwijl wordt voorbij gegaan aan andere handhavingstechnieken. Was het strafrecht vroeger ultimum remedium, het laatste middel, nu wordt het gebruikt of misbruikt ter regulering van beleid. Het beeld wordt opgeroepen dat nieuw beleid moet worden afgedwongen door justitiele controle en straffen. De druk op het justitieel bedrijf neemt daardoor toe en maakt extra investeringen noodzakelijk. Zie de praktijk: meer gevangenissen, meer rechters, meer officieren van justitie en meer politie.

Het vruchteloze van deze praktijk blijkt in de Verenigde Staten, waar de zogenoemde correctie-industrie qua investeringen de vierde industrie is geworden, maar waar de criminaliteit blijft stijgen. Een op de 47 Amerikanen staat op de een of andere manier onder controle van deze correctie-industrie. Wij hoeven dit trieste toekomstbeeld niet over ons af te roepen, mits wij nu bereid zijn het roer om te gooien en serieus iets doen aan de echte oorzaken.

Waar criminaliteit niet valt te voorkomen en volledige uitbanning is ondenkbaar en justitieel ingrijpen dus onvermijdelijk is, zullen wij moeten zoeken naar straffen, die effectief zijn ten opzichte van de samenleving, de daders en slachtoffers. Die laatsten willen over het algemeen een doelmatige straf voor de dader en erkenning van hun eigen slachtofferschap. Schadevergoedingen worden door slachtoffers als zinvoller ervaren dan boetes aan de staat.

Gevangenis

Als de gevangenis in beeld komt wegens de ernst van het delict, is er bereidheid in de samenleving hiervoor alternatieve sancties in de plaats te stellen. Vrijheidsbeperking is hiervan een wezenlijk element, evenals behoud van normale sociale contacten en de mogelijkheid voor de dader om actief aan een reeel toekomstperspectief te werken. Het opheffen van het eerder genoemde soort tekorten en achterstanden, is daarbij de opdracht aan uitvoeringsorganen als de reclassering.

Is gevangenisstraf onafwendbaar, dan zal ook daar een aanbod moeten worden gedaan, gericht op het wegnemen van tekorten en achterstanden. Dat kan bijvoorbeeld door gerichte training in sociale vaardigheden, (vak-)opleidingen of behandeling (zoals bij drugs- en alcoholverslaving). De huidige doelstelling van het gevangeniswezen om de schadelijke effecten van de detentie te beperken is principieel juist, maar praktisch onvoldoende effectief. Dat justitie dit niet alleen kan verhelpen, lijkt mij evident. Sociale vernieuwing moet ook hier van de grond komen. Dat kan onder meer door in het dagelijkse leven van de gevangenis bestaande voorzieningen op het gebied van volwasseneneducatie, arbeidstraining en -bemiddeling en hulpverleningsorganisaties in te schakelen.

Hier ligt ook een zware verantwoordelijkheid voor de reclassering. Het is noodzakelijk te blijven individualiseren, straf- en hulpaanbod af te stemmen op de individuele omstandigheden en mogelijkheden van de mens. Alleen dan is er zicht op het doorbreken van de cirkelgang van een criminele levensloop.

Er dient niet alleen niet alleen aandacht te zijn voor de bedrijfsvoering binnen het strafrechtelijk bedrijf, zoals Lubbers heeft bepleit, maar vooral ook voor de feitelijke achtergronden van criminaliteit. Zijn euforie dat justitie wordt ontzien bij bezuinigingen en zelfs 80 miljoen gulden extra krijgt om de criminaliteit aan te pakken, zal wreed worden verstoord als op de andere fronten niet wordt geinvesteerd.