De sokken van de commensaal

Op de avond van 4 mei om halfnegen was sokkenverkoper A. ontboden bij de vrouw die de volgende dag zijn hospita zou worden. Toen hij tegen achten bij het huis aankwam begonnen de kerkklokken te luiden en hoorde hij in de verte het monotone geluid van blazers bij een muziekcorps. Hij ging op een bankje voor het huis zitten en wachtte op de stilte. Toen de auto's weer begonnen te rijden belde hij aan en binnen een kwartier was de overeenkomst gesloten. 'U bent het niet. Maar ik noem u mijn commensaal', zei de vrouw, 'omdat ik dat zo'n mooi woord vind. U mag me hospita noemen, maar liever niet, waar werkt u?' Ze zei alles in een adem zonder een pauze tussen de zinnen te nemen. 'Ik verkoop sokken op de markt', zei hij. 'Mooi', antwoordde ze en op de manier waarop ze dat woord uitsprak hoorde hij dat ze uit een dorp kwam.

Ze zagen elkaar zelden. De commensaal ging al vroeg de deur uit. Ze zag hem wegrijden met zijn auto vol sokken. Een uur later vertrok ze zelf naar het gemeentearchief waar ze werkte. 's Avonds hoorde ze hem boven haar hoofd lopen. Soms hoorde ze zachte muziek. Iemand zingen. Hij hoorde nooit iets. Een enkele keer het hortende geluid van een schuifdeur die niet meer goed in de rails loopt. Ze kregen nooit bezoek. De commensaal ging al vroeg slapen. Bij de vrouw die geen hospita genoemd wilde worden brandde tot diep in de nacht nog licht. Op een ochtend toen de commensaal naar zijn werk ging lag er een briefje van haar op zijn trap: Wilt u volgende week met mij een tochtje over de rivier maken? 'Daar vaart mijn overleden moeder', zei de vrouw tegen haar commensaal. Ze wees op een kleine sleper die de naam Maria Pieterdina had. Ze zaten naast elkaar op een bootje, dat langzaam de Maas afzakte naar de Noord, de Waal en de Merwede. Het was een doordeweekse dag. De vrouw had vrij genomen en de sokkenverkoper bedacht dat zijn kraam leeg zou zijn. Nog nooit had hij een dag verzuimd. Ze keken zwijgend naar de rivier. Het water glansde zwart, alsof het door de zon opgepoetst was. 'Namen die op een A eindigen zijn altijd mooi', zei hij voor zich uit. Maar hij durfde niet te vragen hoe zij heette. 'Waarom bent u eigenlijk sokkenverkoper geworden?' vroeg de vrouw. Hij wist het niet precies meer. Hij had de kraam overgenomen van de man waar hij altijd zijn sokken kocht. De enige die hij verkocht waren vier paar sokken voor een tientje. Donkergrijs, lichtgrijs, beige en zwart waren altijd de kleuren. Met een papieren wikkel werden ze bij elkaar gehouden. Hij gooide ze nooit op een hoop. Hij hield ervan om ze in nette rijtjes naast elkaar te leggen in zijn kraam. Soms wilden zijn klanten twee paar lichtgrijze: dan haalde hij het pakketje uit elkaar en hield de donkergrijze voor eigen gebruik. Ze hadden allemaal dezelfde maat. Toch waren er mensen die een vuist maakten van hun hand en daar moest hij dan de sok omheen vouwen. Bij een grote hand trok hij extra hard aan de hiel en de teen. Bij een kleine hand liet hij de stof een beetje vieren. 'Precies uw maat', zei hij meestal.

Hij lachte en vertelde dat, toen hij een kleine jongen was, hij een keer bij familie logeerde. Na een week droeg hij nog steeds dezelfde sokken. De tante had gevraagd: 'Moeten je sokken niet gewassen worden?' 'Nee', had hij verontwaardigd gezegd, 'ze kunnen nog lang niet rechtop staan.' Nu worden sokken nauwelijks meer gestopt. Als er een gat in zat werden ze weggegooid en kwamen de mensen nieuwe bij hem kopen. 'Wat doet u verder de hele dag achter uw sokkenkraam?' vroeg de vrouw. 'Niets', zei hij. Hij las de krant. Sufte en dacht nergens aan. 'Tot u zelf een oude sok bent', zei de vrouw. Hij zuchtte nauwelijks. 'Het is zoals het is', zei hij.

Ze varen langs kale skeletten, waar eens grote loodsen stonden. 'Ziet u die plek daar', zei de vrouw, 'daar ben ik geboren. Daar werden vroeger de grote zeewaardige schepen gebouwd. Op een dag zou er een schip door de koningin gedoopt worden. Op de lagere school hadden we een lied ingestudeerd. De meisjes droegen donkerblauwe rokjes, de jongens donkerblauwe broekjes. Met witte sokjes en witte bloesjes. Toen kwam de koningin. Ze liep vlak langs ons. We zagen allemaal dat ze een snotgootje had net als wij. Ze gooide twee keer mis met de fles champagne. Wij hadden gehoord dat er shampoo inzat om het schip mooi schoon te krijgen. Op het moment dat we gingen zingen schuifelden alle mensen in hun blauwe ketelpakken naar voren. Toen gleed het schip de helling af het water in. Het was net een grote vogel. De mannen namen hun pet af, en ik was geschokt. Voor het eerst zag ik dat sommigen, die ik al jaren kende, kaal waren. Ze hielden hun petten in hun handen. Toen pas besefte ik dat die schoongeboende handen dat schip gebouwd hadden.'

'Daar is het gebeurd', zei ze, 'daar ben ik geworden wat ik nu ben.' Als het donker wordt steken de schepen die langsvaren donker af tegen de nog lichte lucht. Soms wordt er naar hen gezwaaid. Ze eten op de boot onder een groot zeil. 'Ik heb koude voeten', zegt de vrouw. 'Zou ik uw sokken aanmogen?' Voordat hij ze uittrekt veegt hij zijn hand, die ineens klam geworden is, er aan af. Zijn blote voeten in de keurige zwarte veterschoenen zien eruit alsof ze bij een Italiaanse dandy horen. De randen van zijn sokken klemmen niet om haar benen. 'Uw sokken lijken wel vazen', zegt de vrouw. Als hij later onder tafel zijn gevallen servet zoekt ziet hij haar benen, die misschien net zo oud zijn als de zijne. Ze hebben sproeten. Haar voeten met zijn sokken in de suede pumps staan naast elkaar. De sokken lubberen en staan wijduit als een vaas. Het witte tafelkleed omsluit alles alsof het altijd zo hoorde. Voor de tweede keer die dag is hij geroerd.

Laat in de avond ligt de commensaal op bed. Hij draagt alleen zijn sokken en een witte onderbroek. Hij zet een plaat op en kijkt langs zijn lijf in zijn sokken. 'Una furtiva lacrima', zingt de smartelijke stem van Tito Schipa. Hij luistert niet. Als een lastige vlieg gonst alsmaar de opmerking door zijn hoofd: Uw sokken lijken wel vazen.

Als de zomer bijna voorbij is ligt er een pakje op de trap. Hij haalt het zachte vloeipapier er voorzichtig af en ziet een paar sokken. Ze glanzen en zijn een beetje doorschijnend. 100% pure soie, staat op het kaartje dat eraan hangt. Hij maakt een vuist van zijn hand en trekt de teen en de hiel er omheen. Precies mijn maat denkt hij. Als hij ze aantrekt komen ze bijna boven zijn kuit. Hij laat het elastiek terugschieten. Na een uur zitten ze nog even strak en laten geen afdruk op zijn benen achter. De kleur doet hem denken aan bessensap.

De Zuidhollandse lucht is ongekend blauw. De zintuigen van sokkenverkoper A. werken op volle toeren. Voor het eerst sinds jaren kijkt hij op de markt goed om zich heen. Hij ziet de heldere kleuren van de dahlia's, de sierlijke letters 'De Harmonie' van de haringkraam die naast hem staat. Hij ruikt de zelfverbouwde koriander, die Turkse mannen uit een kistje vanaf hun brommer verkopen. Hij haalt de sokkenvoorraad uit zijn auto en richt zijn kraam in. Het ziet eruit als een somber bollenveld.

Wanneer de vrouw tussen de middag ineens voor hem staat schrikt hij. 'Passen ze?' vraagt ze en in een adem zegt ze dat ze een haring neemt. Bij het eten gooit ze haar hoofd achterover en haar commensaal ziet haarscherp hoe ze het staartje tussen duim en wijsvinger houdt. Hij ziet haar tong en de gretigheid waarmee ze hem in haar keel laat glijden. Ze lacht naar hem. Zwaait als ze weggaat met dezelfde snelle kinderlijke bewegingen als toen ze naar alle onbekende schippers zwaaide.

Vijf minuten daarna, terwijl de haringman en de groenteboer aan de andere kant verbijsterd toekijken, klimt de sokkenverkoper op zijn stoel. Hij doet zijn ogen dicht en schreeuwt uit alle macht met schorre, overslaande stem: VAZEN, VAZEN TE KOOP!