Wrede King Lear dit jaar de favoriet van het Engelsetoneel

LONDEN, 12 sept. Het Engelse toneel maakt een periode door van dalende belangstelling voor Shakespeare, beweerde onlangs iemand die volgt wat er omgaat. Zulke uitspraken laten zich niet gauw staven of ontzenuwen. Het is als met het peil van het oceaanwater, of de kosten van een vakantie in Spanje: sommigen menen dat die de verkeerde kant opgaan, anderen verzekeren dat het meevalt.

Het enige wat van de Engelse belangstelling voor Shakespeare meteen bewezen kan worden is dat King Lear stand houdt: in de afgelopen weken zijn er drie opvoeringen door het beroepstoneel van besproken. Een van de drie zwerft door Engeland, na een premiere in Edinburgh. Die heeft in de hoofdrol Richard Briers, beter bekend als de gnuivende echtgenoot van Prunella Scales in een komische televisieserie. Het zal enige tijd duren voor zijn reputatie is omgebouwd, maar de eerste indruk uit de pers was dat het zou kunnen lukken.

De andere twee Lears spelen zich af op vertrouwd terrein, bij het National Theatre en in Stratford. Brian Cox is de koning in Londen, een gebogen brede gestalte die zich niet laat gaan hoeveel hij ook uitdrukt, zodat wij hem pas in de laatste scenes zien als iemand die wij hebben leren kennen. John Wood vervult de rol bij de Royal Shakespeare Company als een emotionele, gekwetste man die er al in slaagt om ons medegevoel te wekken wanneer hij in zijn eerste scene liefdesbetuigingen van zijn dochters eist. De tirannieke onuitstaanbaarheid van de koning is in zijn vertolking overwonnen, wat een winst is; maar wij kunnen ons moeilijker voorstellen dat zo'n persoonlijkheid bestand zou zijn tegen alles wat hij nog moet doormaken.

De enscenering van Deborah Warner voor het National Theatre laat het toneel leeg en onherbergzaam; die van Nicholas Hytner in Stratford beperkt vaak de ruimte, zodat Lear meer een verdrukt dan een verloren leven leidt. De Fool in Londen is David Bradley, een lange man met een grijns en grote handen die door toeval in dit vreemde vak terechtgekomen lijkt; die van Stratford is Linda Kerr Scott, een klein vrouwtje met waakzame ogen als een dier in het bos, dat van nature zo doet. De Gloucester in het National Theatre is Peter Jeffrey, die eruitziet als een hoge hoewel gekwelde ambtenaar; in Stratford is het Norman Radway met zijn houding van Ierse barbezoeker die openstaat voor alle voorstellen, ook bedenkelijke en bedreigende.

Wie twee zulke verschillende King Lears in een week ziet heeft daarna het onveranderlijke gebeente van de tekst duidelijker voor ogen dan tevoren. Het stuk dat Shakespeareanen gewoonlijk het drukst bezighoudt in nieuwe uitvoeringen en interpretaties is Hamlet, maar op het ogenblik is het Lear met zijn ondoorzichtige wreedheden. Wie er genoeg van heeft kan het een verwrongen verhaal noemen, voornamelijk geschikt om aan te tonen dat hoe onmogelijk iemand zich ook gedraagt, hij toch beklaagd zal worden als hij maar zielig genoeg aan zijn eind komt. Als wij het dan weer zien opvoeren moeten wij toch toegeven dat de ondoorzichtigheid en gewrongenheid ons bekend voorkomen uit eigen ondervinding. Het is onmogelijk om met King Lear een avond door te brengen als in een vertrouwde omgeving, ook al spreekt hij vertrouwde woorden zoals more sinned against than sinning en undo this button; maar het stuk deelt ons dan ook juist mee dat er nergens op een vertrouwde omgeving gerekend kan worden.

De Lear van het National Theatre is gekoppeld aan een Richard III voor een tournee deze herfst naar vele nabije en afgelegen steden: Nottingham, Cairo, Tokio maar niet tot dichter bij Amsterdam dan Parijs en Hamburg. De Richard (en de Kent in het andere stuk) is Ian McKellen, even vals als de Iago die hij vorig jaar tegenover Willard White's Othello stelde, en nu heerszuchtig in plaats van ondermijnend. De spelers zijn gekleed in negentiende-eeuwse jacquetten en lange jurken totdat Richard de macht ubernommen heeft, en hij fascistische petjes en armbanden invoert. Zijn toon is koud en precies tot in zijn woede-aanvallen toe, en hij heeft geen bochel, maar houdt zijn linkerhand altijd in zijn zak omdat die arm lam is.

McKellens beheersing van slechtaardige naturen lijkt mij onverbeterlijk, en zijn roestig snijdende stem zou iedereen die hem gehoord heeft uit duizenden herkennen. Als Iago sprak hij zijn klinkers plat uit, als Richard gemaakt; op beide tonen heeft hij figuren geschapen die in onze verbeelding voort zullen leven (Iago ook in de film die Trevor Nunn van zijn voorstelling gemaakt heeft). Wie zich in Stratford na King Lear wil ontspannen heeft A Comedy of Errors en Much Ado about Nothing ter beschikking; wie nog meer harde ellende aankan vindt een indrukwekkend vervolg bij Edward II van Marlowe in de kleine zaal, het Swan Theatre. Dit is het stuk over de veertiende-eeuwse koning die de hovelingen ergerde met zijn liefde voor Piers Gaveston, waarvoor zij hem straften door eerst die jongen te vermoorden en daarna op een gruwelijke manier hemzelf. Simon Russell Beale, tot voor kort beter bekend als komisch acteur, beeldt de koning uit als een onverzettelijk slachtoffer van hartstocht en onvrijheid; Grant Thatcher als de charmante Gaveston maakt begrijpelijk wat hem bezielt. Als Shakespeare ooit werkelijk uit de gunst van het publiek raakt zou een middel om zijn aanzien te herstellen een tournee van Pericles, Prince of Tyre. kunnen zijn. Dat stuk wordt meer opgevoerd dan het lijkt; het is iedere vier of vijf jaar in Londen te zien, maar trekt minder aandacht dan de Lears en de Richards. De eerste twee bedrijven zijn waarschijnlijk niet eens van Shakespeare, of anders zijn zij door een copiist slordig opgeschreven; en hoewel er in het vervolg klinkende passages staan is het maar een romance, niet levensecht of veelbetekenend, alleen onderhoudend en emotioneel.

Het klassieke verhaal van Pericles van Tyrus, die zijn vrouw en dochter doodwaande maar ze allebei terugvond, was in de Middeleeuwen vaak vertaald en naverteld, en in Engeland vooral bekend geworden in de versie van John Gower, een tijdgenoot van Chaucer. Shakespeares versie wordt nu het door de RSC in een kleine uitvoering in het keldertheater The Pit gespeeld, met zoveel begrip voor de verhoudingen tussen droom, werkelijkheid en poezie dat alleen een mensenhater er geen plezier in zou hebben.

My name is Marina, hoort Pericles van het meisje dat zijn dochter is, wat wij als toeschouwers allang weten, maar hij niet en zij evenmin. Zo heet ik werkelijk, zegt zij als hij geschokt blijkt door die naam, en ik ben een koningsdochter; maar als het u ontstelt wat ik vertel, dan houd ik meteen op.

But are you flesh and blood? vraagt Pericles; Have you a working pulse, and are no fairy Motion? Well, speak on. Where were you born, And Wherefore called Marina? En geleidelijk komt alles uit. Het ligt zo goed in het gehoor en het gevoel dat het niet anders kan of het zou anti-Shakespeareanen tot bezinning brengen; en dan terug naar King Lear.

    • J. J. Peereboom