Vrede tussen Iran en Irak nog ver weg

Op 14 augustus, twaalf dagen na de Iraakse bezetting van Koeweit, verraste Saddam Hussein de wereld met op het oog vergaande concessies aan Iran, waarmee hij acht jaar in oorlog was. Niet alleen leken deze concessies een definitief vredesakkoord met Iran te impliceren, Saddam zou hiermee zelfs alle resultaten prijsgegeven en daarmee acht jaar bloedige oorlog in feite voor niets hebben gevoerd. Nadere analyse van de recente onderhandelingen tussen Irak en Iran levert echter een gecompliceerder beeld op van Saddams bedoelingen.

Sinds kort is iets meer bekend over de onderhandelingen tussen Irak en Iran over het definitief beeindigen van hun oorlog. Een deel van de correspondentie tussen de presidenten Rafsanjani en Saddam Hussein is door Irak via de Verenigde Naties in het publieke domein gebracht. Daarbij inbegrepen is ook de brief van 14 augustus jongstleden aan Rafsanjani. Deze brief zou dusdanig verregaande concessies van Irak aan Iran bevatten, dat daarmee een definitief vredesakkoord tussen beide staten slechts een kwestie van tijd is.

Bovendien is er op gewezen dat president Saddam Hussein een groot risico met de in deze brief neergelegde concessies zou lopen: niet alleen zouden alle behaalde resultaten in een keer zijn prijsgegeven, maar ook zou de belangrijkste inzet van de oorlog zijn opgegeven. Die inzet was het onder volledige Iraakse soevereiniteit terugbrengen van de Shatt-al-Arab-grensrivier. Aan het opgeven van die laatste doelstelling is vaak de wat vlotte conclusie verbonden dat Irak nu nog minder geneigd zou zijn om Koeweit (geheel) te ontruimen. Een eigen Iraakse toegang tot de Golf zou immers niet meer via de Shatt-al-Arab kunnen lopen.

De nu beschikbare documenten leveren echter een heel wat gecompliceerder en gedeeltelijk ook ander beeld op, al is de interpretatie van de bloemrijke taal vaak niet eenvoudig. De brief van 14 augustus bevat drie concrete punten. Van twee daarvan is in Teheran ongetwijfeld met groot enthousiasme kennis genomen. Saddam Hussein kondigt immers aan dat hij 'als blijk van goede trouw' op 17 augustus zijn troepen, die langs de grens met Iran waren gelegerd, zal terugtrekken. Een groot deel van die Iraakse legermacht bevindt zich op dat moment op de Iraanse, oostelijke, oever van de Shatt-al-Arab. Verder stelt Irak een complete uitwisseling van krijgsgevangenen voor en neemt ook daarin zelf het initiatief. Al leverde en levert die massale uitwisseling de nodige problemen op, aan Iraanse kant kon over deze twee punten in de brief niet veel anders dan grote tevredenheid bestaan.

Grensrivier

Dat zou wel eens anders kunnen zijn ten aanzien van het eerste punt uit de brief van 14 augustus. Daarin meldt Irak akkoord te gaan met een Iraans voorstel gedateerd 8 augustus 1990 'in de zin dat het Akkoord van 1975 moet worden gebruikt als basis, in nauw verband met de beginselen uiteengezet in onze brief van 30 juli 1990'. Deze wat cryptische formulering kan niet helemaal worden ontrafeld want het Iraanse voorstel van 8 augustus is, voor zover bekend, nog niet publiek gemaakt.

Wel wordt duidelijk dat deze zinsnede primair op een mogelijke regeling voor het Shatt-al-Arab-geschil slaat. Dat blijkt uit de genoemde Iraakse brief van 30 juli die bij de VN-documentatie is gevoegd. Het Akkoord van 1975 is omvattender dan men wellicht zou denken. In 1975 werd namelijk een flink aantal akkoorden tussen Iran en Irak getekend. Aangezien het beide staten hier om een regeling voor de Shatt-al-Arab gaat, komen het Gemeenschappelijk Communique van Algiers van 6 maart en, vooral, het Grensverdrag van Bagdad van 13 juni in aanmerking.

Het Communique van Algiers was het resultaat van onderhandelingen tussen de sjah en, toen nog vice-president, Saddam Hussein. Een van de beginselen waarover beiden het in Algiers al eens werden, was dat de grens in de Shatt-al-Arab volgens de 'dalweg' (gewoonlijk: de lijn die de diepste punten verbindt) diende te worden getrokken. In het Verdrag van Bagdad werd dit beginsel in detail vastgelegd. Voor het Verdrag van Bagdad van kracht werd (in 1976) viel de Shatt onder Iraakse soevereiniteit (behoudens beperkte uitzonderingen). De grens liep toen volgens de laagwaterlijn aan de Iraanse oever. Toen hij zijn troepen in september 1980 Iran liet binnenvallen was het herstel van de volledige Iraakse soevereiniteit over de Shatt een van Saddam Husseins hoofddoelstellingen.

Is dat oogmerk met deze nieuwste voorstellen aan Iran nu opgegeven? Volgens de brief van 30 juli, in welks verband, zoals gezegd, punt een van het voorstel van 14 augustus moet worden gelezen, valt dat nog zeer te bezien. Op 30 juli schrijft Saddam Hussein namelijk aan zijn Iraanse collega dat de dialoog over de Shatt wat Irak betreft, moet worden gebaseerd op de volledige Iraakse soevereiniteit over de Shatt-al-Arab. Het beginsel van de dalweg zou dan kunnen worden toegepast op navigatie, visserij en andere rechten. Hoe het Akkoord van 1975 kan worden verenigd met de volledige soevereiniteit van Irak over de Shatt, zal in Teheran ook wel de nodige hoofdbrekens opleveren.

Veiligheidsraad

In de brief van 14 augustus wordt nog verwezen naar een andere passage uit het Iraakse voorstel van 30 juli, die in Iran weleens uiterst problematisch kan zijn. Op 30 juli stelt Irak namelijk aan Iran voor overeen te komen paragraaf 6 van de Veiligheidsraad-resolutie 598 uit 1987 te laten vallen. Resolutie 598 werd op 20 juli 1987 door de Veiligheidsraad aangenomen en is uiteindelijk door beide staten in augustus 1988 aanvaard. Deze resolutie is de basis voor de sindsdien geldende wapenstilstand. In paragraaf 6 verzoekt de Raad aan de secretaris-generaal een onpartijdig lichaam een onderzoek naar de verantwoordelijkheid voor de oorlog te laten doen. Daarmee voldeed de Raad aan een van de meest consequent gehoorde eisen van Iran sinds het begin van de Iraaks-Iraanse oorlog.

Ook over dit onderdeel van het Iraakse voorstel zou het laatste woord nog wel eens niet kunnen zijn gesproken, temeer daar Irak tenslotte oppert de internationale hulp die resolutie 598 in paragraaf 7 voorstelt vooral gelijk tussen beide buurlanden te verdelen. In dat licht bezien is het ook niet zo verwonderlijk dat het bezoek van minister Tarik Aziz aan Teheran dit weekeinde geen groot succes was.