Sluiting vluchtelingenbureau zou kleine ramp zijn

De Hoge Commissaris van de Verenigde Naties voor Vluchtelingen (UNHCR) overweegt zijn vertegenwoordiging in Den Haag te sluiten. Hij heeft de Nederlandse regering voorgesteld de juridische taken van het Haagse bureau voortaan in de Brusselse vestiging te doen vervullen. Sluiting van het bureau in Den Haag zou voor de rechtspositie van asielzoekers en vluchtelingen in ons land een kleine ramp betekenen.

Heeft de minister van buitenlandse zaken wel 'al het mogelijke' gedaan om uitvoering te geven aan de motie die de Tweede Kamer met alleen de stem van het lid Janmaat tegen op 5 juli heeft aanvaard om sluiting van de vertegenwoordiging van de UNHCR in Den Haag te voorkomen? Daaraan kan ernstig worden getwijfeld.

De sluiting van het Haagse bureau zou niet alleen grote gevolgen hebben voor de rechtspositie van asielzoekers en vluchtelingen. Zij heeft in juridisch en financieel opzicht consequenties die even pikant als ingrijpend zijn.

De Haagse vertegenwoordiging van de UNHCR speelt in de vormgeving van en de controle op het door Den Haag gevoerde asielbeleid sinds jaar en dag een vitale rol. Die rol berust niet alleen op het gezag dat de vertegenwoordiging zich in de loop der jaren heeft verworven, zij heeft ook een wettelijke grondslag. Artikel 16 van het Vreemdelingenbesluit bepaalt dat de Adviescommissie voor Vreemdelingenzaken de Vertegenwoordiger van de Hoge Commissaris in iedere asielzaak in de gelegenheid stelt zijn zienswijze over de zaak kenbaar te maken alvorens de staatssecretaris van justitie van advies te dienen. De vertegenwoordiger heeft (dus) ook recht op kennisneming van het dossier, en kan de vergaderingen van de adviescommissie (ACV) bijwonen. De vraag is dan ook of de ACV de staatssecretaris van justitie na de eventuele sluiting van het bureau nog wel op adequate wijze zal kunnen en willen adviseren, en of door de staatssecretaris van justitie te nemen herzieningsbeschikkingen in dat geval niet per definitie voor vernietiging door de rechter in aanmerking komen. Advisering vanuit Brussel het gaat om bijna duizend zaken per jaar kan in de praktijk immers niet op een behoorlijke manier worden gerealiseerd.

Maar laten we er eens van uitgaan dat de ACV het wegvallen van de 'zienswijzen' zou accepteren en dat de staatssecretaris van justitie daar evenmin een punt van zou maken. Bij een afwijzende beschikking van de staatssecretaris staat de asielzoekende vreemdeling beroep open op de Afdeling Rechtspraak van de Raad van State. De huidige situatie is deze dat de Afdeling Rechtspraak de Vertegenwoordiger van de UNHCR in iedere asielzaak bij de behandeling ter zitting als belanghebbende oproept. De vertegenwoordiger kan, als iedere belanghebbende, ook getuigen en deskundigen meebrengen. De wettelijke grondslag van die procedure ligt in art. 78 van de Wet op de Raad van State.

Onbestelbaar

Hoe zal de Afdeling Rechtspraak (en de rechtshulp) reageren als de oproepingen aan de Vertegenwoordiger voortaan als onbestelbaar worden geretourneerd (en ook de Vertegenwoordiger te Brussel niet in staat blijkt de Afdeling op behoorlijke wijze te adviseren)? De inbreng van de (gemachtigde van de) Vertegenwoordiger is de afgelopen jaren enorm geweest. Zonder overdrijving kan worden gesteld dat het nu in Nederland geldende vluchtelingenrecht zonder zijn inbreng niet tot stand zou zijn gekomen. Het lijkt dan ook nauwelijks voorstelbaar dat de Afdeling Rechtspraak het wegvallen van de 'zienswijzen' van de UNHCR-vertegenwoordiger, zowel bij de ACV als bij de behandeling van de zaak door de Afdeling zelf, zonder slag of stoot zal accepteren.

De meest vergaande sanctie zou zijn dat de Afdeling zolang art. 16 Vreemdelingenbesluit bestaat iedere in een asielzaak gegeven herzieningsbeschikking vernietigt wegens schending van de in het algemeen rechtsbewustzijn levende beginselen van behoorlijk bestuur. Het zal duidelijk zijn dat noch de asielzoekers noch de beleidsmakers bij een dergelijke sanctie zijn gebaat.

Maar ook als de Afdeling Rechtspraak van een zo ingrijpende sanctie niet zal willen weten, is de ellende nauwelijks te overzien. Artikel 82 van de Wet op de Raad van State bepaalt, dat de voorzitter bevoegd is hetzij ambtshalve, hetzij op verzoek van belanghebbenden, deskundigen op te roepen. Deze deskundigen hebben ingevolge art. 88 van de Wet op de Raad van State recht op vergoeding van reis- en verblijfkosten, alsmede op een vergoeding wegens tijdverzuim 'en daarmee verband houdende noodzakelijke kosten'. Die vergoeding moet uit 's Rijks kas worden betaald.

Extra kosten

Het lijkt aannemelijk dat de rechtshulp in zeer veel gevallen op deze bepalingen een beroep zal doen, als de voorzitter van de Afdeling er zelf al niet toe zou besluiten. Resultaat (in welke optie ook): ten minste extra kosten voor de schatkist, om van de andere praktische gevolgen van het asielbeleid dan nog maar te zwijgen.

Zou het mede in het licht van deze consequenties niet beter zijn als de minister van buitenlandse zaken er op de kortst mogelijke termijn alsnog bij de Hoge Commissaris op aandringt zijn vestiging in Den Haag te handhaven? Staatssecretaris Kosto heeft in zijn laatste bijdrage aan het 'Schengen-debat' expliciet te kennen gegeven hoe waardevol Justitie de rol van de UNHCR-vertegenwoordiging in Den Haag acht. Het is de hoogste tijd dat ook het ministerie van buitenlandse zaken kleur bekent. Hopelijk draagt de hierboven geboden argumentatie tot de gewenste realiteitszin bij. Met het ontstaan van een bestuurlijke en administratiefrechtelijke chaos is niemand gediend.

Kinderen van asielzoekers in een opvangruimte in Alkmaar. (Foto Rien Zilvold)