Senaat verwerpt voorstel subsidie politieke bureaus

DEN HAAG, 12 sept. De Senaat verwierp gisteren unaniem een wetsvoorstel van minister Dales (binnenlandse zaken) over de subsidiering van de wetenschappelijke instituten van politieke partijen.

Willen de voorstanders gaan staan, vroeg Senaatsvoorzitter Steenkamp gistermiddag, en daarop bleef iedereen zitten. De tweede nederlaag van het kabinet Lubbers-Kok in de Eerste Kamer was een feit. Eerder dit jaar moest staatssecretaris Kosto (justitie) het hoofd buigen voor een meerderheid die zijn regeling van de rechtsbijstand bij echtscheiding afwees. De voorgestelde regeling voor de subsidiering van de politieke instituten werd door de Senaat bij de plenaire behandeling twee jaar geleden al sterk bekritiseerd. De toenmalige minister Van Dijk vond dat als maatstaf voor het subsidiebedrag het aantal zetels in de Tweede Kamer genomen moest worden. Als reden gaf hij op dat de leden van de Tweede Kamer direct gekozen worden en daardoor een betere afspiegeling zijn van de betekenis van hun partijen. Dat kan er toe leiden dat partijen die wel in de Eerste en niet in de Tweede Kamer zitting hebben, zoals de CPN in 1986 overkwam, geen subsidie krijgen. De verkiezingen voor de Tweede en Eerste Kamer vinden immers niet tegelijk plaats. Ook daarin vond Van Dijk een reden om de Senaat erbuiten te laten; om de twee jaar zou het subsidiebedrag mogelijk veranderd moeten worden. De Senaat was in 1988 niet onder de indruk van deze praktische argumenten en hield het wetsvoorstel aan in de hoop dat het kabinet het alsnog zou wijzigen.

Minister Van Dijk noch zijn opvolger gaven daaraan gehoor, waarop het geduld van de Senaat gistermiddag ten einde was. Senator mevr. J. H. B. van der Meer (PvdA) legde namens alle fracties een scherpe stemverklaring af. Zij zei 'geen enkel principieel argument' te kunnen bedenken waarom partijen die wel in de Eerste Kamer maar niet in de Tweede Kamer zijn vertegenwoordigd uit gesloten mogen worden van subsidie. Zij vond dat dit wetsvoorstel raakt aan 'een aantal wezenlijke elementen in ons staatsbestel, namelijk de functie van politieke partijen en hun onafhankelijkheid, en van de Staten-Generaal als eenheid'.