Passie speelt ondergeschikte rol bij doden van partner

UTRECHT, 12 sept. Vrouwen hebben een hoger aandeel in delicten waarbij de partner wordt gedood dan vaak wordt aangenomen. Daarnaast is slechts in eenderde van de gevallen van partnerdoding sprake van een 'crime passionel'. Dit concludeert de psychiater A. P. De Boer in zijn proefschrift Partnerdoding, dat hij vanmiddag verdedigde aan de Nijmeegse Universiteit.

De Boer werkt bij het Pieter Baan Centrum in Utrecht, een forensisch-psychiatrische kliniek waar delinquenten worden onderzocht op verzoek van de rechter. Voor zijn onderzoek bestudeerde De Boer alle gevallen van partnerdoding waarover het Centrum tussen 1950 en 1980 rapporteerde. De onderzochte groep betrof 104 mannen en 20 vrouwen.

De uitkomsten zijn verrassend omdat altijd werd aangenomen dat moord en doodslag binnen relaties bijna uitsluitend door mannen worden gepleegd. In 17 procent van de gevallen bleek de dader echter een vrouw. In de onderzoeksperiode hadden vrouwen in de gehele categorie geweldsmisdrijven een aandeel van slechts 5 procent.

Ook de verwachting dat het meestal zou gaan om een 'crime passionel', een misdrijf uit hartstocht, kwam niet uit. In 18 gevallen was sprake van zogenoemde utiliteitsmotieven: de dader doodde een oude partner die gekozen was met het oog op het te erven kapitaal. In 65 gevallen speelden zeer uiteenlopende motieven om de partner te doden een rol. In die gevallen wilde de dader zich bijvoorbeeld van het slachtoffer bevrijden omdat hij of zij hem of haar voortdurend mishandelde of kleineerde (26 gevallen). Ook speelde soms een psychose of een pathologische roes een rol (15 gevallen). Volgens De Boer is het recidivecijfer van de groep partnerdoders zowel tijdens als na de sanctie zeer laag. Zij reageren in vergelijking met andere geweldsdelinquenten goed op gedwongen behandeling. De Boer vindt daarom dat overwogen moet worden om deze delinquenten in minder zwaar beveiligde en dure klinieken te behandelen.