Na de zenuwenoorlog

De Amerikaanse luchtaanval op Tripoli in 1986, bedoeld om kolonel Gaddafi het terrorisme af te leren, werd voorafgegaan door een snel escalerende zenuwenoorlog. Daarover is later weinig gepubliceerd; we weten nog niet welk deel spontaan was en welk deel geregisseerd. Dat is jammer, want anders hadden we nu meer vergelijkingsmateriaal gehad om de Golfcrisis te beoordelen. Het bombardement van Tripoli was militair niet zuiver de kolonel had zelf moeten worden getroffen maar het politieke doel werd wel geraakt: er kwam een einde aan de terroristische aanslagen. Daarom had deze aanval als voorbeeld kunnen dienen voor een actie tegen Saddam Hussein.

Na zijn inval in Koeweit is in de eerste weken van augustus ook een zenuwenoorlog gevoerd die de voorbereiding had kunnen zijn tot een luchtaanval op Bagdad. Dat zal zeker tot de Amerikaanse 'opties' hebben behoord maar het is er niet van gekomen. De fase van de zenuwenoorlog is nu voorbij: overgegaan in de fase van verder gaande internationalisering, gepaard aan versterking van de blokkade en verhoging van de politieke druk op Irak. De geclausuleerde eensgezindheid van Gorbatsjov en Bush in Helsinki is daarvan het voorlopig hoogtepunt. In de tweede fase is het directe oorlogsgevaar afgenomen. Daarvoor in de plaats ontwikkelen zich andere factoren die op langere termijn misschien moeilijker beheersbaar zijn.

De Amerikanen dragen voor meer dan negentig procent de militaire last. De Britten ongeveer negen-tiende van de rest, en dan komen de andere bondgenoten met een paar schepen en voorzover het de Arabische vrienden aangaat, met wat rommelige contingenten grondtroepen. De economische supermachten Japan en de Bondrepubliek dragen hun contributie in geld af. Intussen gaan de Amerikanen verder met hun militaire opbouw in de woestijn. Daar zijn nu al meer dan 100.000 man gelegerd; half oktober, zeggen de experts in Washington, zal deze expeditionaire macht voldoende zijn uitgerust en daarbij de vereiste omvang hebben om elke aanval op Irak te kunnen ondernemen.

Een dergelijk leger op die plaats onder die omstandigheden is in politiek opzicht geen onveranderlijk en neutraal gegeven; het 'gaat zijn eigen leven leiden'. De meer dan honderdduizend soldaten vervelen zich onder barre omstandigheden. De publieke opinie in de Verenigde Staten waarvan de toon wordt gezet door de familieleden en de belastingbetalers, en hun stem veelvoudig versterkt door de media die daar heel anders werken dan hier zal daardoor met de dag belangrijker worden. Op welke manier? We kunnen er volstrekt zeker van zijn dat het publiek in de Verenigde Staten van afkeer en op de duur van vijandschap jegens de Europese bondgenoten zal zijn vervuld naarmate die langer in gebreke blijven een redelijke bijdrage te leveren. Het verzoek van minister Baker, deze week aan de leden van de NAVO in Brussel gedaan, om grondtroepen naar de Golf te sturen, mag dan niet volgens de letter van het Handvest zijn geformuleerd, maar het houdt een waarschuwing in. Na de Koude Oorlog, met het grootste begrotingsoverschot, zullen de Verenigde Staten eenvoudig niet bereid zijn opnieuw nagenoeg de hele militaire last van een operatie ten behoeve van het hele Westen te dragen. Ze zijn er niet toe bereid omdat ze dit niet kunnen zijn. Dat ten eerste.

Hoe een zich vervelend leger, zonder actie, zich in de woestijn zal gedragen, weet niemand. Zullen de bevelhebbers van die strijdmacht aandringen op de aanval, zoals menigeen onder hun voorgangers dat heeft gedaan? Of zal de publieke opinie van het thuisfront, die 'de jongens en meisjes' zo snel mogelijk onbeschadigd terug wil hebben, zich weldra georganiseerd laten gelden? Het thuisfront en het militair opperbevel zijn twee politieke factoren die nu vorm krijgen. Het is een experiment, nog maar een paar weken geleden begonnen en nu in volle gang. Het zal meer dan interessant zijn te zien hoe het afloopt.

Daarbij is het wel zeker dat de Europese landen meer invloed op het verloop van de slotfase zullen hebben, naarmate hun aandeel in de beginfase groter was. Als de Europeanen de oorlogskans zo klein mogelijk willen houden bij een voortgaande blokkade van Irak, zullen ze tot groter aandeel in de militaire inspanning moeten besluiten. Binnenkort kan het zover zijn dat alleen de landen met troepen in het gebied van de crisis, nog een politieke stem zullen hebben. Zoals het er nu voorstaat zal dat alleen mevrouw Thatcher zijn.

Wat kunnen we verder van de anti-Amerikaanse, anti-Westerse Arabieren verwachten? Men herinnert zich dat in oktober 1983 terroristen het hoofdkwartier van de Amerikaanse marine in Beiroet opbliezen waarbij 241 Amerikanen werden gedood. Daarop is toen geen militaire tegenactie van betekenis gevolgd. Nu zijn de omstandigheden volstrekt anders. De Amerikanen houden rekening met de mogelijkheid dat in het woestijngebied zich terreurcommando's groeperen. Het klinkt niet onwaarschijnlijk: Saddam Hussein heeft een grote aanhang en de Arabieren hebben op het gebied van terrorisme een reputatie te verdedigen. Zal de Amerikaanse publieke opinie tegen een aanslag van het formaat Beiroet bestand zijn? Zal het gemeenschappelijk front tegen Irak daarna nog de samenhang hebben die het nu heeft? Zullen Amerika's Westelijke bondgenoten, nog steeds niet militair aanwezig in de woestijn, dan nog op enige invloed kunnen hopen? De kans op een militaire actie als besluit van een zenuwenoorlog is sterk verminderd. Het oorlogsgevaar als gevolg van onweegbare factoren die op langere termijn werken, neemt met de dag toe.

    • H. J. A. Hofland