MAG HET WAT MINDER ZIJN?

Bezuinigen valt niet mee. Thuis niet en ook in Den Haag niet. Daar is men bij de voorbereiding van de Rijksbegroting voor 1991 niet veel verder gekomen dan het voorstel om de meeste subsidies met een procent te verminderen. De regering heeft de voorkeur gegegeven aan de voorzichtige kaasschaafmethode (dunne plakjes). Terwijl de publieke financien aan veel doortastender snoeiwerk toe zijn.

Internationale organisaties beoordelen van tijd tot tijd de economie van hun leden. Over Nederland zijn ze tegenwoordig vol lof. Op een punt na: hoe komt het dat wij er nauwelijks in slagen de overheid een kopje kleiner te maken? In allerlei landen lukt dit; bij ons niet of nauwelijks. En als het gedurende de vette jaren van de hoogconjunctuur al niet lukt, verwacht er dan maar niets van tijdens magere jaren.

In de tabel staan de cijfers waar het over gaat. Kolom 2 laat het verloop zien van het nationaal inkomen, gemeten in miljarden guldens. Dit cijfer geeft de grootte van de economie als geheel aan. De volgende kolom laat de uitgaven van de collectieve sector zien. Dus de bedragen die de overheid (Rijk, gemeenten, provincies) en de sociale verzekeringen uitgeven. Als je wilt laten zien hoe groot de collectieve sector is binnen de Nederlandse economie, dan deel je het collectieve uitgavenbedrag (kolom 3) door het nationaal inkomen (kolom 2). Het resultaat (kolom 4) is de collectieve uitgavenquote. Apart staan in kolom 5 en kolom 6 de sociale verzekeringen en de rente op de nationale schuld in procenten van het nationaal inkomen.

Gekrompen

Ten eerste valt op dat we in 1960 blijkbaar konden leven met een collectieve sector die minder dan veertig procent van de economie besloeg. We hebben hem intussen tot boven de zestig procent laten uitdijen. Ten tweede lijkt hij bij een eerste blik op de collectieve uitgavenquote de laatste jaren wat te zijn gekrompen. Maar kijk je in kolom 3, dan blijkt het guldensbedrag aan collectieve uitgaven alleen maar te zijn gestegen (behalve in 1989). De lichte daling van de quote in '88 en '89 is veroorzaakt doordat het nationaal inkomen (de noemer van de quote) sneller groeide dan de collectieve uitgaven (de teller van de quote). Het zogeheten noemereffect.

Kolom 5 en 6 laten de twee voornaamste oorzaken zien van het groot-groeien van de collectieve sector. De Rijksbegroting kreunt onder de last van de grote bedragen die moeten worden opgebracht om de rente op de nationale schuld te betalen. De betalingen voor sociale verzekeringen (ouderdom, ziekte, werkloosheid, arbeidsongeschiktheid) zijn vooral in de jaren zeventig en begin jaren tachtig fors gestegen. Dat is begrijpelijk omdat toen de economie in een dal zat. Maar het eigenaardige is dat de uitkeringen niet teruglopen nu het met de economie zo goed gaat. Blijkbaar wordt wat er minder aan werklozen hoeft te worden uitgekeerd, nu aan het relatief toenemend aantal AOW-gerechtigden betaald.

Het bovenstaande is geen nieuws. Al jarenlang is Nederland een van de kampioenen op het collectieve uitgaven-scorebord. Regeringen doen dan ook al jaren hun best de collectieve sector terug in z'n hok te duwen. Waarom lukt het dan zo slecht?

Opdrijven

Er blijken allerlei mechanismen ingebouwd die de uitgaven juist opdrijven. Ten eerste liggen veel uitgavenverplichtingen van de collectieve sector vast in wetten. Er is bij voorbeeld vastgelegd over de komende tien jaren project X te financieren voor een totaal van twintig miljard gulden. Het is dan lastig om halverwege te stoppen of er een paar miljard af te halen. Eerder valt project X ook nog wat miljardjes tegen. Forse tegenvallers zitten ingebakken in de open einde-regelingen, zoals de studiefinanciering en de sociale verzekeringen. Als er meer mensen gaan studeren of oud worden, dan moet daarvoor meer geld op tafel komen.

Een tweede oorzaak van almaar groeiende uitgaven zit ingebakken in elk begrotingssysteem. Alle deelnemers hebben er belang bij de bedragen waar het over gaat, op te voeren. Een ambtenaar ziet zijn afdeling liever groeien dan krimpen; hij zal liever wat meer dan wat minder begroten. De verkeersdeskundige in de fractie van een partij wil voor zijn specialisme een zo groot mogelijk bedrag binnenhalen; partij en kiezers zijn dan tevreden en zijn herverkiezing is tezijnertijd verzekerd. Ook de blije pressiegroep waarvan hij vroeger secretaris was en waarmee hij nog steeds goede contacten heeft, wenst hem geluk met zijn succes.

Ten slotte blijken er zelfs op ministersniveau nauwelijks remmende krachten ingebouwd in het begrotingssysteem; ook een minister wil scoren voor zijn departement. Kunnen de bewindslieden elkaar dan niet een beetje in de gaten houden? Dat zou inderdaad wel kunnen, maar het gebeurt niet omdat de stilzwijgende afspraak bestaat dat men elkaar met rust laat. Blijft over die ene minister van financien die maar moet zien dat hij het in de hand houdt. Uit het verloop van de collectieve uitgaven blijkt dat dit een ondankbare taak is.

    • Rolf Schöndorff