HOE JAPAN AZIE VERDEELT; Tokio bepaalt wie tv-toestellen en wie speelgoed maakt

Vijftig jaar geleden al probeerde Japan met militair geweld een 'Groot-Oostaziatische Welvaartssfeer' te creeren. Nu volgt het land een vreedzamere weg. Een blauwdruk voor de economische ontwikkeling van de Aziatische regio, geregisseerd vanuit Tokio. Zuidoost-Azie, Made in Japan.

Op de dertiende verdieping van een regeringsgebouw in Tokio zijn jonge Japanse bureaucraten stilletjes doende blauwdrukken op te stellen voor de economische toekomst van Azie. Het gebouw is het hoofdkantoor van het Ministerie voor Internationale Handel en Industrie (MITI), de instelling die leiding heeft helpen geven aan het naoorlogse Japanse 'Wirtschaftswunder'. Op de dertiende verdieping houdt men zich echter niet bezig met de eigen economie maar met de minder ontwikkelde zuidelijke nabuurstaten van Japan, in het bijzonder met Thailand, Maleisie, Indonesie en de Filippijnen.

Noboru Seki staat aan het hoofd van de afdeling. Hij laat een stapel recente onderzoeksrapporten zien - MITI's economische plannen voor Maleisie. Er zijn blauwdrukken bij voor nieuwe industrieen, van gymschoenen tot beeldbuizen voor kleuren-tv's. Het meest uitgebreide document, opgesteld in overleg met Maleisische plannenmakers, is zeventig pagina's lang en geeft tot in details een overzicht van MITI's plannen om Maleisie tot een van de belangrijkste producenten ter wereld te maken van tekstverwerkers, antwoordapparaten en kopieermachines. 'Wij hopen oprecht', zegt de heer Seki met een glimlach, 'dat dit de belangrijkste industrieen van Maleisie zullen worden.

Altijd al ijverig met onderzoek en coordinatie in de weer, maken de Japanse bureaucraten dezer dagen overuren met hun planning voor de economische transformatie van de Aziatisch/Pacifische regio - zonder uiteraard ook maar een moment het welvaren van het Japanse zakenleven en de Japanse industrie uit het oog te verliezen. Sommige van deze grootse plannen bestaan alleen nog maar op papier. Toch stroomt de laatste tijd steeds meer Japanse hulp het gebied binnen. Hetzelfde geldt voor particuliere Japanse investeringen, in de vorm van fabrieken en joint ventures. Volgens schattingen van het ministerie van financien zullen de directe Japanse investeringen in Azie dit jaar ongeveer acht miljard dollar belopen - vier keer zoveel als in 1986. Belangrijker dan de hoeveelheid geld is echter de methodische en weloverwogen manier waarop het wordt besteed. In plaats van hun buitenlandse hulp en investeringen van geval tot geval te benaderen, willen de Japanse regering en bedrijfsstrategen de hele economische ontwikkeling van het gebied vormgeven, ja zelfs 'coordineren'. Daarbij wordt impliciet uitgegaan van een arbeidsverdeling. In de visie van het MITI zal Indonesie zich in het bijzonder richten op textiel, bosbouwprodukten en plastics.

Thailand dient zich te concentreren op meubels, speelgoed en gietvormen terwijl Maleisie het van de gymschoenen, kopieerapparatuur en tv-beeldbuizen zal moeten hebben. 'Laissez faire verdient geen aanbeveling', zegt Nubohito Hobo, een kaderfunctionaris van het ministerie van buitenlandse zaken. 'Een zorgvuldig gebruik van de marktkrachten is altijd ideaal.' Aan vergelijkingen ter beschrijving van Japans nieuwe rol in Azie is voorshands geen gebrek. Sommigen spreken over Azie als 'een vlucht ganzen'. Anderen, onder wie de adviseurs van het Japans Economisch Planbureau, hebben het over 'een Aziatisch brein' waarvan Tokio het centrum is. Maar wat voor beeldspraak men ook gebruikt, het idee dat eraan ten grondslag ligt is nagenoeg altijd hetzelfde: 'Wij moeten de Aziatische landen tot ontwikkeling brengen', zoals Masayoshi Furuya, de directeur van het Japanse Onderzoeksinstituut, een in Tokio gevestigde denktank, het uitdrukt. De ontwikkelingsstrategie verloopt als volgt: eerst worden met Japanse leningen (voor het grootste deel overheidsgeld) wegen, bruggen en dergelijke aangelegd. Dan stuurt de Japanse regering technische experts. Vervolgens bereiken de Japanse leningen het niveau van de industrie in het Aziatische land in kwestie, ter financiering van joint ventures en andere zakelijke overeenkomsten.

Ten slotte opent Japan zijn grenzen voor de import van deze overzeese produktiecentra. Deskundigen zien in dat alles het ontstaan van een regionale Aziatische economie, en sommigen vrezen dat met deze strategie wellicht de basis wordt gelegd voor een protectionistisch handelsblok.

Pijnlijke herinneringen

De groei van de Japanse investeringen heeft in Azie tot gemengde reacties geleid. Aan de ene kant kunnen de Aziatische landen die om arbeidsplaatsen staan te springen, geweldig profiteren van de injectie met Japans geld en Japanse technologie. 'Elk jaar hebben we 200.000 jongeren die van school komen', zegt directeur Sapuan Amir van het Maleisische overheidsbureau voor Industriele Ontwikkeling. 'Alleen al om dat bij te houden moeten we jaarlijks 200.000 banen creeren, en we hebben al een werkloosheidscijfer van 7,9 procent.'

Aan de andere kant maakt Japans ontwikkeling tot regionale grootmacht pijnlijke herinneringen los bij veel Aziaten, in het bijzonder bij de oudere generatie die de Japanse uitspraken over de 'Groot-Oostaziatische Welvaartssfeer' ten tijde van de Tweede Wereldoorlog nog vers in het geheugen liggen. Al in de jaren dertig droomden de militaire strategen in Tokio ervan de onmetelijke natuurlijke rijkdommen van Zuidoost-Azie in handen te krijgen.

Indertijd streefde Japan ernaar het gehele Pacifische gebied tot een hechte economie aaneen te smeden waarbij Zuidoost-Azie als bron van grondstoffen en tegelijkertijd als afzetmarkt moest dienen. De Welvaartssfeer werd formeel onderdeel van de Japanse oorlogsplannen en het duurde niet lang of Japan viel Vietnam, Indonesie, Thailand, Maleisie, Singapore en de Filippijnen binnen.

Ruim 45 jaar later zijn in veel Aziatische landen (ook in de landen die om investeringen verlegen zitten) de haat tegen Japan en de argwaan voor de Japanse bedoelingen nog lang niet verdwenen. Zo ging er in de Aziatische landen een storm van protest op toen Japan in het begin van de jaren tachtig zijn schoolboeken herschreef en minder de nadruk legde op de gruwelen die in de oorlog waren bedreven. 'De periode van de Japanse aanwezigheid in Oost- en Zuidoost-Azie was er onbetwistbaar een van groot lijden voor de volkeren van het gebied', schreef een Maleisier aan het weekblad Far East Economic Review. 'De poging ... om deze geschiedenis te vergoelijken maakt het onrecht er nog groter op'. De vrees al te afhankelijk te worden van Japan heeft veel Aziatische leiders ertoe gebracht als tegenwicht naar Amerikaanse en Europese investeringen om te zien. Toch krijgen Japanse ondernemingen meer dan genoeg gelegenheid om in Azie uit te breiden. Nikken Sekkei, het grootste Japanse architectenbureau, wist bij voorbeeld onlangs ondanks felle concurrentie de order voor het ontwerp van een gigantisch kantoorcomplex in de Zuidkoreaanse hoofdstad Seoul in de wacht te slepen. Meer Koreaanse opdrachten volgden en inmiddels heeft de onderneming een kantoor gevestigd in Singapore, om ook van die markt te profiteren, vertelt Kimiaki Minai, de president-directeur van Nikken Sekkei. De vrees dat Japan er op uit is de regio te domineren, acht Minai overdreven. 'We zijn in de eerste plaats Aziaten', zegt hij.

Vlucht ganzen'De eersten onder de Aziaten' was waarschijnlijk dichter bij de waarheid geweest. Japan heeft een standbewuste en hierarchische samenleving en is daardoor geneigd Azie te beschouwen als een hierarchie van naties waarin de Japanse natie uiteraard de eerste plaats inneemt. Om de vergelijking van de vlucht ganzen te gebruiken: Japan vliegt voorop, in hechte formatie gevolgd door recent geindustrialiseerde naties als Taiwan en Zuid-Korea, waarna de ontwikkelingslanden als Thailand en Maleisie komen. Dan komt de reus China en op de vijfde plaats volgen de landen die zich wellicht bij de vlucht zullen mogen aansluiten, zoals India, Vietnam en Bangladesj. De Japanse bureaucratie is er, zeker voor een deel, op uit de concurrentie tussen deze landen onderling te beperken, en het particulier bedrijfsleven stelt al pogingen in het werk de ontwikkeling langs complementaire lijnen te laten verlopen. Zo kunnen in een regionale automobielindustrie versnellingsbakken uit de Filippijnen worden gecombineerd met stuurinrichtingen die in Maleisie en motoren die in Thailand zijn vervaardigd. De uiteindelijke assemblage kan in elk van de landen apart plaatsvinden. Toyota is die weg al ingeslagen.

Goed blaadje

De nieuwe Aziatische strategie heeft nog een opvallend kenmerk: Japan wordt er door in staat gesteld zijn handelsoverschot met de Verenigde Staten te verminderen. Doordat een deel van de produktie naar het buitenland wordt verplaatst, verdwijnen ook elementen van dat jaarlijkse overschot van 49 miljard dollar naar het buitenland, ook al blijft de produktie in Japanse handen. Zo komt Tokio in een goed blaadje te staan bij Amerikaanse politici die zich zorgen maken over het handelstekort. Volgens John Stern, een medewerker van de American Electronics Association in Tokio, spelen de Japanners 'balletje-balletje met de export'. Hij wijst erop dat de Japanse export van consumentenelektronica naar de VS vorig jaar met 21 procent is afgenomen tot 4,2 miljard dollar. Tegelijkertijd groeide de Thaise export naar de VS met maar liefst twee duizend procent tot 162 miljoen dollar - voornamelijk dank zij de produktie van Japanse en joint venture bedrijven in Thailand.

Een deel van de Japanse investeringen dateert al van geruime tijd geleden maar de grote golf kwam pas in 1987 opzetten, toen de toenmalige premier Yasuhiro Nakasone een programma voor buitenlandse hulp bekendmaakte ter waarde van twintig miljard dollar en twee miljard dollar uittrok voor de ontwikkeling van het particulier bedrijfsleven in Azie. Ongeveer tezelfdertijd kwam het MITI met een Nieuw Plan voor de Ontwikkeling van de Aziatische Industrie (New AID), dat de Japanse industrie in wezen een blauwdruk verschafte voor de vestiging van buitenlandse produktiecentra.

Kruisbestuiving

De Japanse overheid wil tegenwoordig liever niet de indruk wekken al te gecoordineerd op te treden, en men legt er dan ook de nadruk op dat de plannen van het MITI geen onderdeel vormen van het officiele Japanse regeringsbeleid. 'Dat is altijd het eerste argument dat ze ter verdediging aanvoeren; ze verklaren dat het New AID-plan tot het MITI-beleid behoort, maar niet tot het Japanse beleid', zegt professor David Arase van het Pomona College in Californie. 'Maar er is een grote mate van kruisbestuiving. In feite is er zeer veel coordinatie.' Zo moeten Japanse functionarissen toegeven dat de infrastructurele planning voor Thailand tot stand is gekomen in de wetenschap dat de Japanse industrie in de rij staat om in Thailand te investeren en dat de huidige infrastructuur van het land zwaar overbelast is. Er zijn nieuwe wegen en havens nodig om de industriele ontwikkeling bij te benen. Het plan van het MITI was opgezet om tijdig de helpende hand te bieden aan de Japanse industrie, die het tussen 1985 en 1988 zwaar te verduren had door de waardestijging van de yen, de uit de hand lopende grondprijzen en het groeiende tekort aan arbeidskrachten. Dat laatste probleem dwong Japanse ondernemingen om buitenlandse werknemers te importeren (een omstreden stap in het xenofobe Japan) of hun activiteiten naar een goedkopere arbeidsmarkt over te brengen. Hitachi, Matsushita, Toyota en andere bedrijven begonnen hun produktie in Zuidoost-Azie op te voeren, en hun kleinere toeleveranciers volgden hen naar het buitenland. Inmiddels loopt het storm van de kleinere en middelgrote bedrijven in vele takken van industrie, die in Zuidoost-Azie willen investeren.

Uit een in maart van dit jaar gehouden enquete onder 9.000 kleinere ondernemingen blijkt dat 2.500 bedrijven van plan waren in het buitenland te investeren en dat bijna 64 procent daarvan in Zuidoost-Azie wilde investeren. Thailand is het populairste investeringsobject, gevolgd door Indonesie en Maleisie. In de Indonesische ambassade aan de rand van centraal Tokio zit Soeprapto Herijando met open armen te wachten. Hij heeft onlangs een speciale ontvangstkamer ingericht voor een niet aflatende stroom Japanse zakenlieden die om inlichtingen komen vragen. 'In twee maanden al meer dan honderd bezoekers', zegt Herijando, die zijn bezoeker trots een groot vertrek toont met een prachtig bewerkte Indonesische sofa en een reeks comfortabele leunstoelen. 'Het aantal telefoontjes', voegt hij eraan toe, 'loopt in de duizenden.' Maar Indonesie heeft tevens meer dan enig ander land moeten ervaren dat er aan de Japanse investeringen ook nadelen kunnen kleven - zoals aan alle buitenlandse investeringen. Neem bij voorbeeld het Asahan-project, een complex ter waarde van 2,7 miljard dollar, dat enkele stuwdammen, een elektriciteitsnet en een reusachtige aluminiumsmelterij omvat. Het heeft Indonesie 2.000 banen, de stroomvoorziening voor een nabijgelegen plaats en aluminium voor de export naar Japan en elders opgeleverd. Voor Japan is Asahan (voor 41 procent in handen van de Indonesische overheid en voor 59 procent van Japanse belangen) een glanzend voorbeeld van Japans-Indonesische samenwerking.

Klachten

Dat neemt niet weg dat het project van tijd tot tijd voor de nodige problemen heeft gezorgd. De export van de smelterij wordt voor het merendeel in dollars geprijsd, maar de leningen van het bedrijf zijn in Japanse yens afgesloten. Toen de yen tussen 1985 en 1988 sterk in waarde steeg, kwam Indonesie tussen de wal en het schip te zitten: het kon niet voldoende aluminium exporteren om zijn leningen in dure yens terug te betalen. Japan moest herhaaldelijk met nieuwe leningen over de brug komen die alleen al in 1987 meer dan een miljard dollar bedroegen. Vervolgens werd in 1988 van Indonesische zijde gedurende vijf maanden de levering van aluminium aan Japan stopgezet; men eiste een groter aandeel in de produktie van het bedrijf. Meer onenigheid volgde. 'Toen ik Asahan bezocht, regende het klachten van de Japanners die er werken', vertelt Tsuneo Fujita, een hoge functionaris van het Japans Overzees Economisch Samenwerkingsfonds, een van de investeerders in het project. 'Ze raakten voortdurend werknemers kwijt, na alle moeite die het had gekost hen op te leiden.'

De ontvangende landen hebben weer hun eigen klachten. Een veelgehoorde is dat de Japanners niet erg geneigd zijn om plaatselijk management aan te stellen. 'Amerikaanse ondernemingen hebben zonder enige terughoudendheid plaatselijk personeel aangesteld op topfuncties in Maleisie; Japan niet, ' verklaart M. Suppiah, een Maleisier die Amerikaanse bedrijven naar zijn land poogt te halen. Bovendien krijgt Japan vaak het verwijt te horen dat het niet erg scheutig is met de levering van technologie aan de jonge Zuidoostaziatische industrie.

Sommige Japanse directeuren geven ronduit toe dat ze alleen al vanwege de concurrentie huiverig zijn voor een volledige overdracht van technologie. Directeur Toshio Oda van de Japanse handelsgigant Nissho Iwai, die zeventig Aziatische joint ventures in handen heeft, zegt dat zijn bedrijf voorzichtig moet zijn. 'Anders is het simpelweg een uitverkoop van technologie. Investeren betekent toch dat we enige greep moeten hebben.' Naar alle waarschijnlijkheid zullen deze problemen op den duur wel worden opgelost - de betrokken partijen hebben daar immers alle belang bij. Japan wil graag verdienen aan nauwere economische samenwerking en datzelfde geldt voor de landen van Zuidoost-Azie. En daarin ligt de ironie van de geschiedenis: wat Japan vijftig jaar geleden met militair geweld niet kon bereiken, krijgt het nu dank zij zijn geld, zijn diplomatie en zijn technologisch kunnen. The Wall Street Journal Vertaling Jori van den Broeke

    • Bernard Wysocki Jr