GOLFCRISIS MAG LONEN NIET OPDRIJVEN; Ruding blijft ook alswerkgeversvoorzitter matiging prediken

Vorige week is hij begonnen in zijn nieuwe functie en het is even wennen: Onno Ruding, voorzitter van het Nederlands Christelijk Werkgeversverbond NCW. Geen internationale positie bij het IMF in Washington en evenmin bij de Ontwikkelingsbank voor Oost-Europa in de Londense city. De ex-minister van financien heeft vanuit zijn nieuwe werkkamer uitzicht op de Zorgvlietkerk in Den Haag.

Zonder bitterheid zegt Ruding tevreden te zijn bij het NCW. 'Het heeft raakvlakken met mijn vorige functie. De onderwerpen zijn veelal hetzelfde, de invalshoek is verschillend. Hier moet ik commentaar geven op de overheid, terwijl ik als minister zelf nota's voor de Kamer maakte.' Als werkgeversvoorzitter begint Ruding op een onzeker moment. De langdurig opgaande conjunctuur van de jaren tachtig lijkt internationaal over zijn hoogtepunt, een aantal grote Nederlandse ondernemingen heeft tegenvallende bedrijfswinsten gemeld. Terwijl in de Verenigde Staten een recessie dreigt en de economische hervormingen in Oost-Europa vooralsnog alleen maar geld kosten, zorgt de Saddam Hussein-factor voor nieuwe onrust. Stijgende olieprijzen, hogere rente, een zwakke dollar en nerveuze financiele markten bepalen het beeld. Ruding is in zijn element en hij maant tot voorzichtigheid.

Blijvend hogere olieprijzen zullen een fors effect op de economie hebben. 'Die effecten zijn wel te verwerken, maar je moet ze niet bagatelliseren', meent hij. In Nederland verwacht hij geen recessie, wel vermindering van de groei. En dat zal aanpassingen vragen. Van de burgers, de bedrijven, de vakbonden en ook van de overheid.

In de jaren dat Ruding minister van financien was, daalden de olieprijzen. Dat hielp de Nederlandse inflatie in toom te houden, maar betekende een aderlating voor de schatkist. Nederland, dank zij de koppeling van de aardgasprijs aan de olieprijzen een semi-OPEC-land, zag de aardgasbaten voor de overheid teruglopen van 23 naar zo'n 7 miljard gulden per jaar. 'Die daling van 16 miljard gulden hebben we verschmertzt', zegt Ruding tevreden terugkijkend.

Nu kan zich als gevolg van de Golfcrisis de omgekeerde situatie voordoen: hogere olieprijzen wakkeren de inflatie aan en leveren de schatkist een windfall profit op. 'Ik vind het logisch dat je nu het omgekeerde doet van wat we in 1986 deden. Toen verhoogden we de indirecte belastingen (btw en energie-accijnzen) en verlaagden we de overheidsuitgaven ter compensatie van de dalende gasopbrengsten. Als je nu het spiegelbeeld van die situatie krijgt, geeft het geen pas om een extra verlaging van het financieringstekort en verlaging van de indirecte belastingen achterwege te laten. Dan doen we niks en dat betekent automatisch dat je de uitgaven verhoogt, of althans minder verlaagt. Dat is de gemakkelijkste en de verkeerde weg.' In de jaren zeventig werden de stijgende olieprijzen en hogere aardgasbaten gebruikt voor hogere overheidsuitgaven. Dreigt het kabinet Lubbers-Kok dezelfde fout te maken? Ruding: 'Het kan natuurlijk dat morgen de Golfcrisis voorbij is, dan hebben de hogere olieprijzen geen structureel effect. Maar als we veronderstellen dat de huidige olieprijzen structureel zijn, dan dreigen we in dezelfde fout te vervallen. Dat is slecht. Toen kon je nog zeggen: ik wist het niet. Maar nu ben je een gewaarschuwd man.' Als Ruding nog minister van financien was geweest, zou hij de aardgasmeevaller gebruikt hebben voor extra verlaging van het financieringstekort en voor vermindering van de belastingen. 'Deze ontwikkeling zou ik anders hebben aangepakt', zegt hij resoluut, verwijzend naar een advies van de SER uit 1988. 'Als de aardagasbaten substantieel toenemen, boven de 7 a 8 miljard gulden per jaar die staan ingeboekt, moet je die niet direct verjubelen in de uitgaven. Gebruik ze voor een extra verlaging van het financieringstekort. Dat was al het standpunt van het NCW en het sluit naadloos bij mijn eigen opvattingen aan.'

En hij haalt uit naar de Haagse politiek, waar de noodzaak van een verdere btw-verlaging voorzichtig ter discussie wordt gesteld. Deze voorgestelde btw-verlaging van 181/2 naar 17 procent in 1993 houdt verband met de harmonistie van btw-tarieven in de EG. Nu Duitsland als gevolg van de veel hoger dan geraamde kosten van de overname van de DDR vermoedelijk niet ontkomt aan een btw-verhoging na de Duitse verkiezingen van december, zou de noodzaak voor een Nederlandse btw-verlaging zijn weggevallen. 'Ik kan die redenering van een aantal mensen van verschillende partijen, ook in de regering, absoluut niet begrijpen. De bewering dat als de Duitse btw omhoog gaat, wij de onze niet hoeven te verlagen, slaat nergens op. Wij hadden toch afgesproken dat onze btw omlaag gaat, niet tot 14 procent, maar wel tot 17 procent. We gingen er daarbij al van uit dat de Duitsers hun btw zouden verhogen van 14 tot 16 procent. Dat ene procent verschil is wel te overleven.

Dus ik begrijp niet hoe sommigen nu kunnen zeggen dat we het geld voor de geplande verlaging van de btw kunnen schrappen en aanwenden voor meer uitgaven. Ook los van Duitsland is het trouwens slecht om af te zien van een btw-verlaging. Die past in een tijd van hogere inflatie en hogere olieprijzen. Ze vormt een goed tegenwicht.' De NCW-voorzitter maant ook de vakbonden: 'In de jaren zeventig ontwikkelde zich een automatisme van hoger energieprijzen, inflatie en volledige compensatie van de lonen via de cao. Maar dat kan niet. Je moet de lonen niet volledig compenseren voor hogere prijzen die van buiten komen, daarvan moet je allemaal samen de ellende dragen. Compensatie voor onheil dat van buiten af komt, voor ruilvoetverlies, verslechtert de concurrentiepositie van het bedrijfsleven.' In tijden van onzekerheid mogen geen extra risico's genomen worden die de economische groei en de rendementen van het bedrijfsleven in gevaar kunnen brengen, vindt Ruding. 'Of dat nu via looneisen is of via een overheid die de lasten voor het bedrijfsleven verhoogt of zich fixeert op inkomensplaatjes tot drie decimalen achter de komma. Door het gemillimeter over koopkrachtplaatjes van de laatste tijd lijkt het dat men zich weer meer weer meer bezig houdt met de verdeling van inkomen dan met het scheppen van werk. En juist dank zij de loonmatiging door de vakbeweging liepen we op dat terrein voorop in Europa.'

Het is beter om de flexibiliteit van de economie te vergroten en de structuur van de economie te verbeteren, verdedigt Ruding. 'Ik ben geen doemdenker, maar stel dat het tegenvalt en het blijvend slecht zou gaan als gevolg van de Golfcrisis. Dan moet je zorgen dat je die situatie niet in een verzwakte toestand binnentreedt. Dat gebeurt natuurlijk als je onverantwoordelijk hoge looneisen stelt of als de overheid daartoe openingen geeft. De koppeling (-van lonen en ambtenarensalarissen en uitkeringen-) is daarbij een onvermijdelijke complicatie. De Golfcrisis vormt een extra argument om voorzichtig te zijn.' Ruding bekleedt naast het voorzitterschap van het NCW een aantal commissariaten en adviseurschappen bij Unilever, Robeco, Nationale Nederlanden, Moret Ernst en Young en, sinds kort, bij Citicorp, de grootste Amerikaanse bank. Meer dan de banken van het Europese vasteland bevindt het Amerikaanse bankwezen zich in een moeilijke positie. Citicorp is de enige overgebleven Amerikaanse bank die nog wereldwijd operereert, andere Amerikaanse banken hebben hun internationale activiteiten teruggebracht. 'Het is een indicatie van de relatieve verzwakking van de Amerikaanse positie in de wereld en dat is niet iets om vreugdevol over te zijn', zegt Ruding.

De banken zullen volgens hem de komende tijd terughoudend zijn met hun kredietverlening. Op alle fronten hebben ze problemen: oude vorderingen op Latijns-Amerika, nieuwe problemen met leningen op onroerend goed en voor riskante buy outs, overnemingen gefinancierd met zogenoemde junk bonds. 'Het is niet bevorderlijk voor de economische groei als banken, omdat ze zoveel verliezen hebben geleden en nog zoveel potentiele verliezen kunnen lijden, terughoudend worden bij hun normale kredietverlening', meent Ruding.

Volgens hem zullen de banken en zeker de Amerikaanse geen grote kredieten verstrekken aan Oost-Europa. De financiering van de Oosteuropese wederopbouw zal terecht komen de schouders van Westerse overheden en van internationale organisaties. De Wereldbank, het Internationale Monetaire Fonds en de nieuwe Europese bank voor wederopbouw en ontwikkeling, de EBRD. Ruding was door Nederland naar voren geschoven om die bank te leiden en het onderwerp is onvermijdelijk: de mislukking van zijn kandidatuur. Op de gang van zaken, die in mei culmineerde in de benoeming van de Fransman Jacques Attali, wil hij niet ingaan. Maar over de rol die de EBRD voorlopig zal spelen is hij kritisch. Die rol is beperkt. Dat is geen wijsheid achteraf, hij wist dat een paar maanden geleden ook al, verzekert Ruding. 'Voorlopig heeft de EBRD geen betekenis', zegt hij. Het ratificatieproces duurt lang en pas daarna kunnen projekten worden goedgekeurd. Voor midden 1991 zal de EBRD geen cent overmaken naar Oost-Europa. 'In deze essentiele fase, nu de landen democratische regeringen hebben en economische programma's hebben opgesteld, zijn ze afhankelijk van het IMF en de Wereldbank. Dat is uitstekend, maar de EBRD speelt geen rol. Het kost tijd om een nieuwe instelling te creeren.' Ruding maakt meer kanttekeningen. Onder druk van de Verenigde Staten is in de statuten van de bank opgenomen dat de Sovjet-Unie de eerste jaren vrijwel geen leningen mag ontvangen. Maar in Houston besloot de Groep van zeven om te bestuderen op welke manier de Sovjet-Unie economisch geholpen kan worden. 'Ik denk dat de Amerikanen inmiddels koude voeten gekregen hebben. Want de VS hebben een van de mogelijke instrumenten voor steun aan de Sovjet-Unie, de EBRD, vrijwel uitgesloten.' In de statuten van de bank is een politieke clausule opgenomen: de EBRD mag alleen steun verlenen aan landen die gedemocratiseerd zijn. Daarmee zijn Roemenie en Bulgarije vooralsnog van steun uitgesloten en beperkt het werkterrein van de EBRD zich voorlopig tot slechts vier landen: Polen, Tsjechoslowakije, Hongarije en Joegoslavie.

De benoeming van de president van de EBRD speelde begin mei, in Washington, waar het IMF eindelijk overeenstemming bereikte over een verhoging van de middelen die landen aan het IMF beschikbaar stellen. Ruding had, als voorzitter van het Interim-comite van het IMF, jarenlang voor een dergelijke quotaverhoging geijverd. In de beslotenheid van de Groep van zeven gooiden Frankrijk en Groot-Brittannie het toen op een akkoordje; Ruding werd geofferd voor de quotaverhoging. 'Ik weet niet of dat zo is, want ik heb er niet bijgezeten', zegt hij. 'Je kunt alleen beoordelen of er een deal is gesloten, als je er bij gezeten hebt of als je het gehoord hebt van iemand die er bij gezeten heeft en die je absoluut vertrouwt. Ik heb mensen gesproken die erbij zijn geweest, maar die ik niet helemaal vertrouw, en ik heb mensen gesproken die ik vertrouw maar die er niet hebben bijgezetten. De combinatie kom je weinig tegen.' De EBRD-affaire toonde de toenemende invloed van de Groep van zeven, het informele circuit van de machtigste industrielanden waar de middelgrote landen zoals Nederland buiten staan. Het wijst, zegt Ruding, op de noodzaak van meer samenwerking tussen landen zoals Zweden, Zwitserland, Belgie en Nederland. 'In ons land zijn er eigenlijk maar twee mensen die al jaren hebben gewezen op de gevaren van de Groep van zeven en die samenwerking van de kleinere landen hebben bepleit. Dat zijn Van Lennep (de ex-secreraris-generaal van de OESO en minister van staat) en ik. Helaas hebben we gelijk gekregen. Dat is wel een bittere constatering.'