Een munt voor Europa

EEN EUROPESE MUNT: het klinkt eenvoudig en voor de hand liggend nu Europa zich voorbereidt op de gemeenschappelijke markt na 1992. Maar tijdens een bijeenkomst van de EG-ministers van financien, afgelopen weekeinde in Rome, is een besluit over het tempo van de economische en monetaire unie (EMU) uitgesteld, gezien de talrijke technische en politieke vraagstukken die de invoering van een Europese munt met zich meebrengt. Het is zelfs de vraag of de Europese Gemeenschap tegen het jaar 2000 over een eigen betaalmiddel zal beschikken. Tussen woord en daad staan wederom wetten en praktische bezwaren.

De invoering van een gemeenschappelijke munt betekent de oprichting van een onafhankelijke Europese centrale bank en de overdracht van nationale bevoegdheden naar Europees niveau. In een monetaire unie verdwijnt de mogelijkheid om via devaluaties verschillen in concurrentiekracht en inflatie weg te werken. Daarom moeten landen die voor dezelfde munt kiezen, hun beleid nauw op elkaar afstemmen. Deze afstemming van begrotingsbeleid en inflatiepercentages kan worden afgedwongen door de invoering van een munt; de invoering van een gemeenschappelijke munt kan ook het sluitstuk zijn van een proces waarbij het financieel-economische en monetaire beleid tussen de lidstaten geleidelijk op een lijn wordt gebracht.

Deze keuze hebben de ministers van financien voor zich uitgeschoven en overgelaten aan de politieke leiders van de EG. Dat is niet verwonderlijk, omdat de EG op dit punt een veelkleurig palet is. Tussen Nederland en Duitsland bestaat bijvoorbeeld een hechte monetaire band de gulden en de D-mark zijn vast aan elkaar geklonken terwijl ons begrotingsbeleid niet alleen met het Duitse, maar ook met dat van de andere grote EG-landen uit de pas loopt.

WEST-DUITSLAND heeft deze zomer ervaring opgedaan met een monetaire unie. De politiek geinspireerde keuze voor de omwisseling van een Ost-mark voor een D-mark betekent dat de Oostduitse economie via de harde, monetaire weg snel wordt gesaneerd. Dat is pijnlijk, maar niet onmogelijk in Duitsland, waar de monetaire unie gelijktijdig verloopt met de economische integratie en politieke hereniging. Het kost West-Duitsland scheppen vol geld.

In Europees verband is dit moeilijk voor te stellen. De onderwerping van de Mezzogiorno, de Algarve, de Rijnmond en Baden-Wurttemberg aan hetzelfde strakke monetaire regime zal tot sociale en regionale problemen leiden of de EG dwingen tot grote transfers via haar sociale en regionale fondsen. Anderzijds is het een illusie te menen dat afstemming van het economische beleid zonder de disciplinering van een munt snel tot stand zal komen.

VOORZICHTIGHEID bij de invoering van de Europese monetaire unie is derhalve geboden, maar geen traagheid. Het Europese bedrijfsleven heeft berekend dat het aan wisselkosten van Europese valuta jaarlijks 35 miljard gulden kwijt is. Kille kostenbesparingen van het bedrijfsleven of de ergernis van de toeristen bij de grenswisselkantoren hoeven bij de keuze voor een munt niet de doorslag te geven. Maar voor de eenheid van Europa blijft het perspectief van een gemeenschappelijke munt evenzeer van politieke en symbolische waarde.