DE HOPELOOSHEID VAN ECHTE ARMOEDE

Echte armoede is moeilijk voor te stellen. In de straat waar ik woon, in Washington D. C., zit iedere dag een aantal mannen te dammen. Het plastic bekertje is voor de aalmoezen van voorbijgangers. 's Middags vullen ze een ander bekertje met voedsel van een of andere vrijwilligersorganisatie. Hun bestaan is moeilijk te begrijpen voor iemand die nimmer bang is geweest 's avonds geen brood op de plank en een dak boven het hoofd te hebben.

De mannen in de straat behoren tot de zogenoemde onderklasse; ze zijn een wereld apart. Ze komen uit arme families en als ze kinderen mochten verwekken dan zijn die gedoemd arm te zijn. Ze kennen geen mensen in het politieke en economische circuit en daarom bekommert de politiek zich ook niet om hun lot. Zonder een emotionele band is het blijkbaar moeilijk ons in te leven en ons druk te maken.

Om een of andere reden valt het westerlingen gemakkelijk zich druk te maken om de armoede van hun oosterburen. De Polen zonder brood doen ons wat. Dat Oostduitsers het zonder moeten stellen kan gewoon niet. We leven zelfs mee met de Russen wanneer die zonder sigaretten komen te zitten of, zoals nu, om brood moeten knokken (en dat met een top-oogst dit jaar). Er is dan ook een bereidheid om te helpen. Oost-Europa is als de verloren gewaande dochter die in armoede verzeild is geraakt en nu met uitgestrekte armen onthaald kan worden. Het herstel zal een moeizaam proces worden maar het zal lukken omdat de rijke landen het willen.

De situatie is anders voor een land als Peru. Net als Polen doet dit land een heldhaftige poging de economie om te gooien en te zuiveren van inefficiente factoren. Net als in Polen neemt de armoede in Peru schrikbarend toe. Het verschil is dat Peru ver weg is. Zonder emotionele band is de bereidheid tot daadwerkelijke steun beperkt. Het ziet er nog slechter uit voor de landen die echt arm zijn en waarvan de rijke westerlingen nauwelijkse de naam kennen, landen als Burkina Faso, Tsjaad, Burundi, Rwanda en Malawi.

Na de tweede wereldoorlog richtten de rijke landen de Wereldbank op om te zorgen dat de arme landen niet zouden worden vergeten. De bank is een soort internationale bijstandsdienst - ze geeft leningen tegen schappelijke condities en financiert projecten. Het hoofdkwartier in Washington D. C. zit barstensvol economen die hard op het ontwikkelingsvraagstuk studeren. De fundamentele vragen liggen voor de hand: welke factoren dragen bij tot economische ontwikkeling en gaat economische ontwikkeling gepaard met vermindering van armoede? De antwoorden zijn moeilijker te vatten. Veel studies produceren interessante en ingewikkelde vertogen maar brengen ons niet veel dichter bij een oplossing. Volgens een recent rapport van de Wereldbank is de situatie in sommige gebieden de afgelopen tien jaar zelfs verslechterd. Vooral de situatie in midden-Afrika is hopeloos. Stanley Fisher, tot afgelopen week de top-econoom van de bank, gaf in een gesprek toe geen raad te weten met de landen waarvan we de namen nauwelijks kennen. Niets lijkt er te werken.

Het rapport (het World Development Report 1990) geeft de ontluisterende cijfers. Meer dan een miljard mensen is arm. Dat is een vijfde van de wereldbevolking; 650 miljoen mensen uit deze groep is uiterst arm met een jaarlijks inkomen van minder dan 500 gulden. De meeste arme mensen wonen in Zuid-Azie - bijna de helft. Maar in relatie tot de totale bevolking is de armoede het grootst in de landen van midden-Afrika. In de afgelopen tien jaar nam de armoede daar zelfs toe. De belangrijkste statistieken, zoals de totale produktie, investeringen en de export, tonen een teruggang.

In de jaren vijftig en zestig geloofden de economen van de Wereldbank dat economische groei de oplossing van de armoede was. Met flinke investeringen zou de bedrijvigheid toenemen en de inkomens van de armen zouden stijgen. Economische groei bleek evenwel geen oplossing te zijn voor het armoede-probleem. De armen visten te vaak naast het groeiende net. In de jaren zeventig verschoof de aandacht daarom naar projecten - onderwijs- en gezondheidsprojecten bij voorbeeld - die direct op de arme bevolking waren afgestemd. In de jaren tachtig overheerste het macro-perspectief weer. Gestimuleerd door een hervonden hartstocht voor de vrije markt hamerden de economen op de overheidsuitgaven, de externe schulden en de handelsbarrieres van de arme landen. In het jongste rapport stellen Stanley Fisher en zijn economen een compromis voor: economische groei is een noodzakelijke voorwaarde voor de oplossing van het armoedeprobleem maar is onvoldoende zonder een gericht welzijnsbeleid. Ze noemen Indonesie als een goed voorbeeld waar een juiste mengeling van groei- en welzijnsgerichte maatregelen in de afgelopen zeventien jaar resulteerde in een vermindering van de armoede met veertig procent.

Deze opstelling lijkt alleszins redelijk. Maar het stelt weinig voor wanneer het om de landen in midden-Afrika gaat. Net als de mannen in mijn straat vormen ze een wereld apart, een onderwereld die weinig baat vindt bij de talloze rapporten met evenzoveel oplossingen die economen uitbrengen. De steun blijft een afstandelijke zaak en zet daarom weinig zoden aan de dijk. Het gaat om een emotionele verbondenheid die er gewoonweg niet is.

Laat ik eerlijk zijn: de emotionele verbondenheid heb ik zelf ook niet met de mannen in mijn straat. Anders zou ik meer doen dan over ze schrijven.

    • Arjo Klamer