BEPERKTE ROL VOOR BANK OOST-EUROPA

Oud-minister Ruding wil niet ingaan op zijn mislukte kandidatuur, afgelopen voorjaar, voor het presidentschap van de nieuwe Europese bank voor wederopbouw en ontwikkeling EBRD. Maar hij zet wel vraagtekens bij de rol die de EBRD - nu onder leiding van de Fransman Jacques Attali - voorlopig kan spelen. Die rol is beperkt. Dat is geen wijsheid achteraf, hij wist dat een paar maanden geleden ook al, verzekert Ruding. 'Voorlopig heeft de EBRD geen betekenis', zegt hij. Het ratificatieproces duurt lang en pas daarna kunnen projekten worden goedgekeurd. Voor midden 1991 zal de EBRD geen cent overmaken naar Oost-Europa. 'In deze essentiele fase, nu de landen democratische regeringen hebben en economische programma's hebben opgesteld, zijn ze afhankelijk van het IMF en de Wereldbank. Dat is uitstekend, maar de EBRD speelt geen rol. Het kost tijd om een nieuwe instelling te creeren.' In de statuten van de bank is een politieke clausule opgenomen: de EBRD mag alleen hulp verlenen aan landen die gedemocratiseerd zijn. Daarmee zijn Roemenie en Bulgarije vooralsnog uitgesloten en beperkt het werkterrein van de EBRD zich voorlopig tot slechts vier landen: Polen, Tsjechoslowakije, Hongarije en Joegoslavie.

Voorts is onder druk van de Verenigde Staten in de statuten van de bank opgenomen dat de Sovjet-Unie de eerste jaren vrijwel geen leningen mag ontvangen. Maar in Houston besloot de Groep van zeven om te bestuderen op welke manier de Sovjet-Unie wel economisch geholpen kan worden en dit weekeinde in Helsinki beloofde president Bush steun aan de Sovjet-leider. 'Ik denk dat de Amerikanen inmiddels koude voeten hebben gekregen. Want de VS hebben een van de mogelijke instrumenten voor steun aan de Sovjet-Unie, de EBRD, vrijwel uitgesloten.' De benoeming van Atalli tot president van de EBRD - na een onderonsje van Frankrijk en Groot-Brittannie - toonde de toenemende invloed van de Groep van zeven, het informele circuit van de machtigste industrielanden waar de middelgrote landen zoals Nederland buiten staan. Het wijst, zegt Ruding, op de noodzaak van meer samenwerking tussen landen zoals Zweden, Zwitserland, Belgie en Nederland. 'In ons land zijn er eigenlijk maar twee mensen die al jaren hebben gewezen op de gevaren van de Groep van zeven en die samenwerking van de kleinere landen hebben bepleit. Dat zijn Van Lennep (de oud-secreraris-generaal van de OESO en minister van staat) en ik. Helaas hebben we gelijk gekregen. Dat is wel een bittere constatering.'