Wetenschap in de Golf

Met de Science Citation Index in de hand kan van elk land de wetenschappelijke activiteit in kaart worden gebracht. Ook van de landen in de Golf. Erg breed is hun belangstelling niet.

Gifgas lijkt het sleutelwoord in de Golfcrisis. De dreiging met chemische wapens is een van de meest beangstigende aspecten van de crisis die op 2 augustus uitbrak met de Irakse inval in Koeweit. Irak beschikt over tientallen tonnen mosterd- en zenuwgas en heeft verschillende fabrieken om deze strijdgassen aan te maken. Levering van materialen heeft vanuit het Westen plaatsgevonden (er zijn om die reden al Duitse industrielen gearresteerd), maar de noodzakelijke technologie voor het produktieproces heeft Irak vermoedelijk zelf in huis. Bovendien wordt in het land van Saddam Hoessein aan een atoombom gewerkt. In 1981 verwoestte de Israelische luchtmacht een kerncentrale bij Bagdad, die daar met Franse hulp werd gebouwd en waar volgens de Israeli's aan kernwapens werd gewerkt. Inmiddels zijn de Iraki's weer onverdroten bezig met de opbouw van hun nucleaire technologie. Gevreesd wordt dat Irak op afzienbare termijn kan beschikken over een aanzienlijk arsenaal aan ABC-wapens. ABC staat voor atomair, biologisch en chemisch.'Rontgenfoto's'Wetenschap en wapenwedloop gaan hand in hand, zeker in de Golfregio. Het doorlichten van de wetenschappelijke structuur in de betrokken landen kan daarom een nieuw licht werpen op de Golfcrisis. Op het Centrum voor Wetenschaps- en Technologie Studies (CWTS/LISBON) van de RU Leiden zijn technieken ontwikkeld om dergelijke 'rontgenfoto's' te maken. Met behulp van bibliometrische analyses kan de wetenschappelijke produktie van een land in kaart worden gebracht. De belangrijkste bronnen daarvoor zijn internationale literatuurbestanden zoals de Science Citation Index (SCI), een produkt van het Amerikaanse Institute for Scientific Information (ISI). De SCI verwerkt zo'n 4.000 toonaangevende tijdschriften uit de natuur- en levenswetenschappen met een sterke nadruk op Westerse, vooral Amerikaanse periodieken. Gegevens over auteurs, titels, tijdschriften en publicerende instituten worden volledig verwerkt. Zo kan worden vastgesteld waar de wetenschappelijke belangstelling in een bepaald land ligt, hoe sterk de integratie in het internationale (met name Westerse) tijdschriftencircuit is en met welke landen wetenschappelijk wordt samengewerkt. Door de achterstand in verwerking van de data en door de beoordelingsprocedures bij de tijdschriften kan er echter een vertraging van enkele jaren optreden.

Bestrijdingsmiddelen

Van de landen in de Golfregio hebben we de complete wetenschappelijke produktie uit de jaren tachtig, voor zover te vinden in de SCI, geanalyseerd, waardoor het mogelijk is ze te typeren op de zojuist genoemde drie punten. Om met Irak te beginnen, de wetenschappelijke interesse is hier duidelijk: chemisch, nucleair en biologisch. Van de vijf tijdschriften waarin de meeste Iraakse publikaties verschijnen, zijn er vier chemisch. Zowel in het chemisch als in het biologisch en landbouwkundig onderzoek is er relatief veel aandacht voor insekticiden en pesticiden.

Al eerder zijn bestrijdingsmiddelen in verband gebracht met gifgasproduktie. Het feit dat in ons bestand vooral de effecten van deze middelen op mens en dier onderwerp van Iraakse studie zijn, vormt op zijn minst een nieuwe indicatie voor een dergelijk verband. Het medische onderzoek, dat in Irak over het algemeen zwak vertegenwoordigd is, richt zich met name op toxicologie en farmacie. Dat gifgasproduktie onder farmaceutische vlag kan plaatsvinden is uit Libie bekend. Uit Samarra, waar in Irak een gifgaslokatie wordt vermoed, hebben we twee publikaties van het farmaceutische staatsbedrijf gevonden. Een enkele Iraakse publikatie gaat expliciet in op de gifgasproblematiek, bijvoorbeeld het artikel 'Sulfar Mustard Poisoning in the Iran-Iraq War'. Het lijkt er dus op dat in Irak een wetenschappelijke infrastructuur aanwezig is, die uiterst nuttig kan zijn bij het vervaardigen van de nu zo gevreesde wapens. Het Biologisch Onderzoekscentrum in Bagdad is een actieve instelling op bovengenoemde gebieden. Een ander Iraaks topinstituut is het Nucleair Onderzoekscentrum in dezelfde plaats. Bij het Iraakse atoomonderzoek, dat de laatste jaren snel toeneemt, is veel samenwerking met de Oostbloklanden. Zo is het I. V. Kurchtov Instituut voor Atoomenergie in Moskou een belangrijke partner van de zojuist genoemde instelling in Bagdad. Van Franse betrokkenheid bij het Iraakse nucleaire onderzoek is in onze analyse maar weinig gebleken. De Frans-Iraakse co-publikaties hebben meer een chemische invalshoek, evenals de Westduits-Iraakse. De gemeenschappelijke publikaties van Irak met Amerikaanse en Britse wetenschappers hebben over het algemeen medische onderwerpen, waaronder toxicologie. Met de Verenigde Staten is de samenwerking overigens afgenomen. In zijn algemeenheid is de integratie van Irak in het Westerse wetenschappelijke circuit gedurende de jaren tachtig teruggelopen.

Iran in isolement

In nog veel sterkere mate is dat het geval bij Iran. Het isolement waarin dit land onder Khomeiny terecht is gekomen is duidelijk af te lezen in de cijfers. Het aantal Iraanse publikaties in de SCI neemt zeer sterk af in de jaren tachtig (van 296 naar 109), terwijl dat van alle door ons bekeken landen bij elkaar in dezelfde tijd verdubbelt. Daarmee zakt het land van de eerste naar de vijfde plaats in de regio en wordt ingehaald door veel kleinere landen. Vanwege het vertragingseffect geeft 1980 de situatie onder de sjah weer, maar daarna treden nadrukkelijk de effecten van de islamitische revolutie en het gijzelingsdrama in de Amerikaanse ambassade op. In 1983 is het aantal Iraanse publikaties gedaald tot 127 en in die buurt blijft het schommelen. De verwijdering van het door de Grote Satan gedomineerde Westerse tijdschriftenbestand is duidelijk. Daarnaast kan er van een werkelijke daling van de wetenschappelijke produktie sprake zijn als gevolg van de uittocht van oppositionele intellectuelen.

Ook wanneer we kijken naar internationale wetenschappelijke samenwerking, zien we Iran vanaf 1980 in een isolement raken. Het aantal co-publikaties met andere landen neemt sterk af. Vooral de terugval in samenwerking met de Verenigde Staten is dramatisch: van 68 co-publikaties in 1980 naar 15 in 1982. Op dat niveau blijft het verder schommelen. Er blijven dus wetenschappelijke contacten bestaan. Voor de meeste Westeuropese landen gaat hetzelfde op als voor de VS, zij het dat de terugval begin jaren tachtig meestal minder scherp is. De wetenschappelijke samenwerking van Nederland met de islamitische republiek verdwijnt geheel, terwijl het land van de sjah de belangrijkste partij voor Nederlands onderzoek in de regio was. De samenwerkingsverbanden van Iran met islamitische en communistische landen blijven op hetzelfde peil. Wat de islamitische landen betreft is er een uitzondering: Irak. In 1980 zijn er nog twee co-publikaties, daarna houden de contacten met de Kleine Satan geheel op. In een opzicht is er een duidelijke overeenkomst tussen Iran en Irak: beide landen hebben belangstelling voor atoomonderzoek.

Net als Iran zakt Libanon weg uit het internationale circuit. De burgeroorlog is een voor de hand liggende oorzaak. De vernietiging van de infrastructuur door de voortdurende beschietingen en de gijzelingsacties hebben hun tol geeist. Zo zijn medewerkers van de Amerikaanse Universiteit van Beiroet, de belangrijkste leverancier van de Libanese produktie voor internationale tijdschriften, al verschillende malen slachtoffer geweest van ontvoeringen. De kort geleden vrijgelaten Brian Keenan is een van hen. De samenwerking van Libanon richt zich voornamelijk op de VS, Frankrijk en Groot-Brittannie. Bij Frankrijk zal de positie als vroegere kolonisator een rol spelen. De wetenschappelijke belangstelling in Libanon is primair medisch, wat goed aansluit op de behoeften in het land.

Goede gezondheidszorg

Heben we bij Iran, Irak en Libanon een teruggang of stagnatie gezien in de wetenschappelijke orientatie op het Westen, het omgekeerde is het geval bij de landen die nu door militaire inspanningen tegen Iraakse agressie beschermd worden. Een groeiende Westerse, met name Amerikaanse betrokkenheid in deze Golfstaten tekent zich af. Ten eerste neemt het aantal publikaties in de SCI tussen 1980 en 1989 sterk toe. Verder blijken de Verenigde Staten voor Saoedi-Arabie de belangrijkste partner bij co-publikaties te zijn. Voor de kleinere staten is dat Groot-Brittannie, de voormalige kolonisator van het gebied. De percentages schommelen, maar de absolute aantallen van de co-publikaties nemen toe met de groei van de SCI gecoverde produktie van de regio. De traditionele orientatie van Jordanie op het Westen, die nu door de moeilijke positie waarin koning Hoessein zich bevindt, onder druk staat, is eveneens in ons databestand terug te vinden. Het patroon is in wezen gelijk aan dat van Saoedi-Arabie en de kleine Golfstaten: een toenemend aantal papers in de SCI en een sterke mate van samenwerking met Westerse landen: de Verenigde Staten (43%), Groot-Brittannie (19%) en West-Duitsland (11%).

Sterk medisch gericht

De wetenschappelijke belangstelling van de Golfmonarchieen is sterk medisch gericht. De reputatie van een uitstekende, Westers georienteerde gezondheidszorg weerspiegelt zich in de wetenschappelijke produktie. Daarnaast is er veel aandacht voor praktische problemen als watervoorziening en ontzilting. Zo is het tijdschrift Desalination voor Saoedi-Arabie en de Verenigde Arabische Emiraten het belangrijkste publikatiemedium, voor Koeweit staat het nummer 2. Uiteraard heeft ook onderzoek naar olieprodukten de aandacht, met name in Saoedi-Arabie. De King Fahd University for Petroleum and Minerals in Dhahran is na de King Saud University in Riyadh de meest produktieve Saoedische instelling in ons bestand. In Koeweit en de kleine emiraten is er verder vrij veel belangstelling voor elektrotechniek en informatica. Technische wetenschappen in zijn algemeenheid spelen overigens in de hele regio een belangrijke rol.

Wanneer we de gegevens bekijken vanuit het perspectief van de Westerse landen, zien we dat de Verenigde Staten, Groot-Brittannie, West-Duitsland en ook Nederland in duidelijk toenemende mate samenwerken met de traditioneel pro-westerse monarchieen in de regio. Co-publikaties met wetenschappers in de als radicaal bekend staande landen (Iran, Irak, Syrie en Zuid-Jemen) nemen af, ook in absolute zin. Dat geldt dan met name voor de Verenigde Staten. De samenwerking van Franse instellingen met de laatstgenoemde categorie landen neemt echter toe tot 35% van alle Franse co-publikaties met de regio. Voor de andere Westerse landen liggen die percentages inmiddels aanzienlijk lager. Het Oostblok heeft zich het afgelopen decennium primair gericht op de radicale landen, die vaak al vanaf de jaren vijftig als Sovjet-bondgenoten golden en vanuit Oost-Europa bewapend werden. Van de golfmonarchieen heeft alleen Koeweit redelijk wat co-publikaties met communistische landen gehad. Uit de Derde wereld zijn met name Egypte en India belangrijke partners voor internationale wetenschappelijke samenwerking in de Golfregio. Dat geldt zowel voor de radikale landen (met name Irak) als voor de pro-westerse staten.

Politieke ontwikkelingen

Uit onze analyses is gebleken dat de politieke ontwikkelingen in de regio van het afgelopen decennium zich weerspiegelen in de wetenschappelijke activiteiten van de betrokken landen. Iran is in een isolement geraakt, het eens zo belangrijke Libanon is door de burgeroorlog grotendeels uitgeschakeld, Saoedi-Arabie en de kleinere emiraten hebben zich in toenemende mate op het Westen georienteerd en Irak heeft een wetenschappelijke infrastructuur opgebouwd, die mogelijkheden biedt voor de aanmaak van ABC-wapens.