Universiteiten nu 'aan zet' bij vrouwenstudies

DEN HAAG, 11 sept. Minister Ritzen (onderwijs) vindt dat het vak vrouwenstudies niet langer apart hoeft te worden gesubsidieerd.

Hoewel de inbedding nog niet overal optimaal is, zijn vrouwenstudies en emancipatie-onderzoek inmiddels voldoende ingeburgerd om de universiteiten zelf de verdere ontwikkeling van dit vakgebied voor hun rekening te laten nemen.

Ritzen zei dat vandaag bij het in ontvangst nemen van het advies van de Stimuleringsgroep Emancipatie-Onderzoek (STEO). In het advies pleit de STEO voor een 'programmeringscollege vrouwenstudies/emancipatie-onderzoek'. Dit college zou een jaarlijks budget van zes miljoen gulden moeten krijgen voor het honoreren van onderzoeksvoorstellen op het gebied van vrouwenstudies. Het huidige stimuleringsprogramma, dat op 1 januari 1991 afloopt, voorzag in een jaarlijkse subsidie van 820.000 gulden. Volgens de minister 'zijn vrouwenstudies en emancipatie-onderzoek niet meer weg te denken bij de universiteiten' en is hun positie de laatste jaren 'dan ook flink verbeterd'. Ritzen meent dat de universiteiten 'nu aan zet zijn om de verdere inbedding vorm te geven'. In haar eindadvies stelt de STEO dat er aan de universiteiten meer welwillendheid dan concrete uitwerking van vrouwenstudies te vinden is. 'Bij haar rondgang werd het de STEO wel duidelijk dat het op het niveau van de faculteiten moeilijk is om ruimte te scheppen voor de nieuwkomer'. Vrouwenstudies en emancipatie-onderzoek ontstonden in de jaren zeventig als de wetenschappelijke uitwerking van de ideeen van de vrouwenbeweging. Studenten en (vrouwelijke) wetenschappers namen het sekseverschil als uitgangspunt van onderzoek.

De interdisciplinaire benadering die daar het gevolg van was de bestudering van seksueel geweld bijvoorbeeld kan vallen onder rechten, geneeskunde of sociologie is volgens de STEO een van de belangrijkste redenen waarom de positie van vrouwenstudies aan de universiteiten nogal fragiel is.

In 1984 kregen zeven deskundigen onder voorzitterschap van prof. dr. J. Soetenhorst-de Savornin Lohman de opdracht te adviseren over de besteding van zes jaar lang jaarlijks 820.000 gulden voor vrouwenstudies. Het werk van de STEO moest de betrokken instellingen stimuleren meer aan emancipatie-onderzoek te doen.

Inmiddels zijn er dertien deeltijd-hoogleraren vrouwenstudies, zes universitaire hoofddocenten en 75 met vrouwenstudies belaste wetenschappelijk medewerkers onder wie enkele assistenten-in-opleiding. Aan de Universiteit van Amsterdam functioneert sinds 1985 een Onderzoeks Zwaartepunt Vrouwenstudies, dat nog tot 1993 geld van het ministerie van onderwijs krijgt. Zelf bekostigt de universiteit het Belle van Zuylen Instituut voor vrouwenstudies en emancipatie-onderzoek. Het meeste emancipatie-onderzoek gebeurt in de gamma-wetenschappen.

De STEO meent dat het grote aanbod aan 'kwalitatief hoogwaardige' onderzoeksvoorstellen bij zowel de stimuleringsgroep zelf als het Amsterdamse Zwaartepunt bewijst 'dat het gewone wetenschapsbedrijf nog niet is ingespeeld op de acceptatie van de vrouwenstudies-optiek'.