Schildpadden ademen net als zoogdieren door aan te zuigen

Zoogdieren, vogels en hagedissen ademen lucht door hun ribbenkast te verwijden met behulp van spieren. Hierdoor ontstaat een onderdruk en de buitenlucht stroomt naar binnen. Uitademen gebeurt omgekeerd: de ribben worden actief samengetrokken en de lucht wordt naar buiten geperst. Vogels kennen de bijzonderheid dat longingang en longuitgang verschillend zijn, zodat de longen geen 'dode ruimte' heeft, waar oude lucht blijft hangen.

Voor de meeste mensen is ribademhaling vanzelfsprekend omdat we het zelf zo doen, maar in het dierenrijk bestaan ook andere vormen van ademen. Bekend is de kikker die met zijn mond lucht hapt, en deze hap lucht min of meer in zijn longen perst. Inademen is beslist geen zuigen, maar persen of slikken.

Hoe ademt nu een schildpad? Schildpadden hebben ribben, maar deze zijn vergroeid met de schilden en kunnen niet bewegen. Ribademhaling is dus niet mogelijk.

Het antwoord op de vraag blijkt al in 1799 door de Engelsman Townsend te zijn gegeven, maar raakte in de vergetelheid. In de literatuur over schildpadden wordt het onderwerp verzwegen of de ademhaling wordt verkeerd beschreven. Een correcte beschrijving werd onlangs gegeven door de Duitse bioloog Martin Mirwald in Oldenburg (Naturwissenschaftliche Rundschau, 6/90). Volgens Mirwald werken bij de schildpad twee vierdelige spiergroepen samen, waarvan de ene de gehele ingewandszak omvat en bij samentrekking de uitademhaling verzorgt en de andere groep zich in de flanken bevindt. Door samentrekking van deze groep worden de flanken afgeplat waardoor een aanzuiging plaatsvindt. Schildpadden hebben dus ook zuigademhaling, zij het niet met de ribben.

Volgens Mirwald is deze vorm van ademhaling bij schildpadden geheel nieuw in de evolutie ontstaan. Het is in ieder geval geen primitief kenmerk, een relict uit de tijd van de amfibien, waar de reptielen uit voortkomen. (Deutscher Forschungsdienst 8/90)