Paleizen

De buurt was aardig opgeknapt sinds ik er was weggegaan, meer dan dertig jaar geleden. Toen ik klein was, was het er altijd donker en koud, de huizen waren zwart of donkerbruin en van een deprimerende gelijkheid. Maar nu zag ik dat ook in deze straat de zon kon schijnen, de huizenblokken toonden meer verschillen dan ik had gedacht en hier en daar waren in de portieken muurtjes van vrolijk beschilderde tegels, die er vroeger ook moeten zijn geweest, maar toen zag ik ze niet. Niets in de straat deed denken aan de sombere en dreigende waterverfschildering die ik had gemaakt toen ik tien jaar was. Je zou misschien kunnen zeggen dat ik zelf aardig was opgeknapt in de tussentijd, maar ik was van plan om tijdens mijn wandeling niet op deze manier te denken. Ik wilde naar de huizen kijken, niet wroeten in mijn hersenpan.

Waar zitten de herinneringen? In de hersenen, zal ieder modern mens zonder aarzeling antwoorden. Er was een tijd dat men daar zo van overtuigd was dat de wetenschappelijke onderzoekers dachten dat ze een herinnering precies konden lokaliseren in de hersenen. Ze sneden een stukje weg uit de hersenen van een rat, maalden het weefsel fijn, spoten het in bij een andere rat en zagen dat die profiteerde van de ervaring die zijn voorganger had opgedaan. Tegenwoordig gelooft niemand meer dat het zo eenvoudig is en dit verschijnsel wordt niet meer waargenomen. Toch is de gedachte dat de herinneringen in de hersenen zitten zo vanzelfsprekend dat ik heel verbaasd was toen ik las dat een zonderling maar knap geleerde er anders over kon denken.

Iemand krast met zijn nagel over een muur in de straat waar hij geboren is. Hij staat gebukt, zijn nagel krast op dezelfde hoogte als vroeger toen hij klein was. Opeens komen allerlei herinneringen bij hem op. Waar komen die vandaan, waar lagen ze opgeslagen? De herinneringen zaten niet in de hersenen, anders waren ze wel eerder tevoorschijn gekomen, ze zaten in de muur, zoals de melodie in de grammofoonplaat zit. De nagel was de naald die ze opriep en de hersenen, ongetwijfeld onmisbaar, waren misschien slechts de geluidsboxen, die de verborgen melodie een waarneembare vorm geven. Maar de herinneringen zijn toch niet van steen en kalk, hoe kunnen ze dan in de muur zitten? Ze zijn ook niet van bloed en hersenweefsel, hoe kunnen ze dan in de hersenpan zitten.

Toen ik het eenmaal gelezen had bleek het heel goed mogelijk te zijn om te denken dat de herinneringen in de muren zitten. Ik kon het in ieder geval een middag volhouden, nam ik me voor. Aan de muren zou meer te zien zijn en het volgepakte hoofd kreeg meer ruimte. Wie teveel in de hersenpan plaatst wordt claustrofoob. Kijk naar de moderne cyberpunk science fiction-schrijvers, die bijna alleen nog maar over het brein schrijven. Hoe stelt zo iemand zich het hotel van de toekomst voor? Een stapel kisten van twee meter lang, een meter hoog en een groot televisiescherm in het plafond.

In de buurt waar ik wandelde en waar ik als kind woonde was lang geleden een groot schaak-evenement. Een verslaggever die ik zeer bewonderde reed er met de tram naartoe. Onderweg zag hij een winkel die Het Opklapbeddenpaleis heette. Om die grappige naam moest hij zo lachen dat hij het in de krant zette. Het was duidelijk dat hij nog nooit in deze verre buitengewesten was geweest en niet van plan was er nog eens terug te komen.

Het Opklapbeddenpaleis bestaat nog steeds, maar ik ging er niet langs. Ik ging het cafe op de hoek van mijn straat binnen, waar ik vroeger naar het biljarten mocht kijken. Is er veel veranderd? Geen flauw idee. De platen aan de muur lijken oud, de meubels ook, maar ze zullen toch wel nieuwer zijn dan ikzelf, het cafe heeft in ieder geval een frivolere naam dan vroeger. Ik drink koffie, betaal en de man achter de bar houdt een gulden teveel af. Een test. Een vermaning. Vreemdeling, rot op.

Ik liep langs mijn oude huis. Ik herkende het niet, hoewel ik ook niet kan zeggen dat ik het me anders had voorgesteld. Het slot op de buitendeur is in ieder geval veel steviger dan vroeger. Er zijn wel een paar herinneringen, maar niet het soort dat uit de muur gekrast moet worden, ik had ze thuis ook wel kunnen bedenken. Ik overwoog maar niet om te bukken en met mijn hand langs de muren te strijken, het zou literatuur-imitatie zijn, waar niets uit voort kan komen.

Dan loop ik twee hoeken om en opeens is er het moment waarop ik min of meer gerekend had, maar dat toch geheel onverwacht en adembenemend is. De achterkant van een blok huizen dat rond een tuin is gebouwd. Ik herken het, de huisjes die er voor staan herken ik ook wel, maar ze hebben niets bijzonders, en ik weet onmiddellijk waarom ik dat ene blok, dat ik dertig jaar niet gezien heb, op een andere manier herken, ik heb er nog kort geleden van gedroomd en in mijn droom waren het de wolkenkrabbers van Hongkong, maar het waren deze huizen, daar is geen twijfel over mogelijk. De galerij beneden is niet meer toegankelijk, er is een zwaar ijzeren hek aangebracht en een bord dat onbevoegden de toegang ontzegt. Het maakt niet zoveel uit.

Op weg naar mijn oude school gebeurt het nog een paar keer. De zijstraat met zijn brede trottoir, als een strand, als een plein. Die heb ik in mijn droom in een Italiaanse stad gezien. Maak ik mezelf wat wijs? Nee, dat kan niet, ik weet wat ik straks om de hoek zal zien en het komt uit, ook al zou ik geen detail van tevoren hebben kunnen beschrijven. De gebogen straat, met het witte gebouw aan het eind, kan ik niet precies thuisbrengen, maar ik weet dat het niet in Amsterdam is geweest dat ik hem voor het laatst gezien heb.

Ik bedenk hoe goed het is dat ik heb verkozen om deze middag niet in de miezerige taal van de innerlijke zielsprocessen te denken. Als ik psycholoog zou willen zijn zou ik moeten zeggen: arme kerel, je kan de hele wereld afreizen, maar de beelden die je ziet blijven altijd de straten tussen de Bestevaerstraat en de Gulden Winckelstraat, nooit zal je Het Opklapbeddenpaleis ontvluchten. Het zou niet onwaar zijn, maar het zou een treurigheid hebben die door niets gerechtvaardigd is. Ik ben blij dat ik niet naar binnen kijk, maar naar buiten en exotische paleizen zie die door niemand gezien worden, en alleen door mij herkend als wat ze zijn, Italiaanse pleinen, Aziatische wolkenkrabbers.

    • Hans Ree