Kamer mild over mestbeleid van Braks

DEN HAAG, 11 sept. Het door minister Braks gevoerde beleid ten aanzien van de mestoverschotten kan de toets der kritiek doorstaan. De coalitiepartijen CDA en PvdA stelden zich gisteren tijdens het mestdebat in de Tweede-Kamercommissie voor milieu en landbouw achter het beleid van de minister. D66, VVD en Groen Links waren in hun kritiek betrekkelijk mild ten opzichte van de minister.

Braks en minister Alders van milieubeheer menen dat de doelstellingen in de eerste fase van de mestwetgeving, die eind dit jaar afloopt, grotendeels zijn gehaald. Hoewel cijfers uit Noord-Brabant, waar dit jaar het aantal varkens, kippen en runderen toenam, anders doen vermoeden, meent Braks dat de beoogde stabilisering van de veestapel en daarmee van de mestproduktie een feit is. Herhaaldelijk geconfronteerd met de vorige week uit Brabant verstuurde 'brandbrief' zei Braks: 'Dat wil niet zeggen dat het beleid niet deugt. Het doel van onze wetgeving was niet dat het uitgangspunt in elk gebied van Nederland moest worden gehaald.'

Wel zei hij dat de berichten uit Brabant hem 'verontrusten'. Volgens Braks is gemiddeld gezien de omvang van veestapel en mestproduktie sinds 1987 afgenomen. Braks zei dat hij dat ook aan de Algemene Rekenkamer zal meedelen, die zou menen dat het tegendeel waar is. Hoewel de uitslag van het onderzoek van de Rekenkamer nog altijd niet openbaar is, was gisteren in de wandelgangen te horen dat de conclusie minister Braks de kop niet kan kosten, omdat de Rekenkamer zou menen dat ook de Tweede Kamer te weinig de vinger aan de pols heeft gehouden. Braks noemde de kritiek onterecht dat de controle op naleving van de mestwetgeving onvoldoende zou zijn.

Minister Alders hield de mogelijkheid van inkrimping van de veestapel nog open als technische oplossingen, onder meer het bouwen van grootschalige mestfabrieken, in 1992 niet haalbaar blijken. 'Dat is het toetsjaar. De milieuvoorwaarden zijn de harde grenzen waarbinnen naar oplossingen gezocht moet worden', aldus Alders. Hij zei dat er nu al studies worden gedaan naar de manieren waarop eventuele inkrimping van de veestapel kan worden bereikt.

De bouw van waarschijnlijk zes mestfabrieken is voorzien in de tweede fase van de mestwetgeving, die op 1 januari aanstaande ingaat en tot 1996 loopt. In die fase zal er aanzienlijk minder fosfaat, die in de mest zit, op het land terecht mogen komen. Daardoor zal het mestoverschot toenemen. In 1995 zullen daarom fabrieken moeten zijn gebouwd met een gezamenlijke capaciteit van 6 miljoen ton drijfmest. 'Dat is te halen', aldus Braks, 'zonder dat er volumemaatregelen nodig zijn.'

Volgens Alders zijn er nu al plannen ingediend voor fabrieken met een gezamenlijke capaciteit van 4 miljoen ton mest. Beide ministers zeiden dat in november een rapport klaar zal zijn over de door de mest veroorzaakte stikstofproblemen. Daarvan hebben in toenemende mate de drinkwaterwinbedrijven last. Gisteren werd relatief weinig aandacht aan dit onderwerp gegeven. Van het onderzoek zal afhangen of er in de mestwetgeving naast een fosfaatnorm ook een stikstofnorm moet gelden.

Bij de kwestie van de zogenoemde fosfaatverzadigde gronden stonden Kamercommissie en ministers lang stil. Het gaat om gronden die zo van fosfaat zijn doortrokken dat vermenging met het grondwater plaatsheeft. Uit een nader onderzoek van het Staring-centrum in Wageningen is komen vast te staan dat het hier niet, zoals aanvankelijk was geraamd, gaat om 270.000 hectare, maar om 380.000 hectare, vooral de zandgronden in het oosten, het midden en het zuiden van Nederland. Het kabinet wil dat op deze gronden de fosfaatnorm gaat gelden, die in de mestwetgeving pas is voorzien in 2000. Het kabinet wil in eerste instantie tussen de 60 en 80.000 hectare aanwijzen waarop die maatregelen van toepassing zijn. Dat zal eind 1991 gebeuren, zo zeiden de beide ministers gisteren. Boeren, die schadevergoeding eisen wegens derving van inkomsten, zullen nul op het rekest krijgen, tenzij ze kunnen bewijzen dat hun grond niet met fosfaat is verzadigd.

    • Max Paumen