Geen schoothond van Amerika

Telkens moet het verleden blijkbaar opnieuw ontdekt worden, en telkens is er een geldreneratie die verrast wordt door zaken die een eerdere allang wist. Zou dat komen doordat er geen geschiedenis meer gegeven wordt op school? Of is het nooit anders geweest? Hoe het ook zij, nu is iedereen verrast doordat blijkt dat Nederland, dat zelfs minister Luns, die van 1952 tot 1971 minister van buitenlandse zaken was, helemaal niet zo'n schoothondje van de Amerikaanse politiek was als een latere generatie, vooral onder de invloed van linkse sjablones, was gaan geloven.

Duco Hellema, politicoloog en oud-lid van de Communistische partij Nederland, heeft dat ontdekt en er een proefschrift over geschreven, en nu verbazen journalisten zich over deze 'ontdekking'. Dat ze in 1956 het jaar waarover dat proefschrift gaat nog niet of nauwelijks geboren waren, kun je ze niet kwalijk nemen; dat ze schrijven over zaken waar ze zo weinig blijken van te weten, eerder.

Voordat ik doorga, even dit: ik heb Hellema's proefschrift nog niet gelezen, alleen een beetje doorgebladerd. Dit artikel is dus geen bespreking. Het is alleen gebaseerd op artikelen en interviews in de pers naar aanleiding van het proefschrift vooral een artikel in de Volkskrant van 30 augustus.

Wat is er in 1956 gebeurd? Toen vielen twee crises vrijwel samen. In de eerste plaats nationaliseerde Egypte plotseling het Suezkanaal, en dat was aanleiding voor Engeland en Frankrijk om, in samenspanning met Israel, Egypte binnen te vallen. De Verenigde Staten reageerden heftig op deze actie. Crisis dus in het Westers bondgenootschap.

De tweede crisis ontstond toen er in Hongarije een rebellie uitbrak tegen het stalinistische regime, een rebellie die uitliep op het uittreden van Hongarije uit het Warschaupact. Dit nu namen de Russen niet. Ze sloegen de opstand gewapenderhand neer, en Hongarije was voor 33 jaar weer in het gareel. Het Westen deed niets.

In die crisisdagen nu oktober/november 1956 stond Nederland eerder achter de Engelsen, Fransen en Israeli's dan achter de Amerikanen. Dat gold voor regering, parlement en publieke opinie. Dat blijkt nu een verrassing te zijn voor een latere generatie en, als ik het goed uit die artikelen en interviews begrepen heb, ook voor Hellema zelf. Die waren opgevoed met het beeld van Nederland als trouwe, zo niet slaafse bondgenoot van de Verenigde Staten, en vooral met het beeld van Luns als paladijn van Washington.

Ze hadden moeten weten dat dit beeld alleen al daarom niet juist kon zijn omdat Nederland in althans twee naoorlogse kwesties, de Indonesische kwestie (1945-1949) en de kwestie-Nieuw-Guinea (1959-1962), de Verenigde Staten tegen zich heeft gehad. En nu blijkt hun dat ook in de Suezcrisis van 1956 Nederland kritiek had op het beleid van de Amerikanen.

Tijdens die Suezcrisis was John Foster Dulles Amerikaans minister van buitenlandse zaken, die door Luns in de binnenkamer voor een onbetrouwbare 'aterling' werd uitgemaakt. Ook overigens was Luns helemaal niet zo pro-Amerikaans: aan een Nederlander die, na een ongeveer twintigjarig verblijf in dat land, naar Nederland was teruggekeerd vroeg hij eens: 'Hoe heeft u het zo lang in dat land kunnen uithouden?' Hellema meent ik lees dat in de Volkskrant dat de oorzaak van de Nederlandse frustraties over de Amerikaanse houding in de Suezcrisis was 'dat het Nederlandse beleid in de jaren vijftig nog steeds werd beheerst door krachtige koloniale ressentimenten'. Dat mag voor Luns waar zijn (de kwestie-Nieuw-Guinea moest toen overigens nog komen). Zelfs voor de minister-president, de PvdA'er Drees, ging dit enigermate op in zoverre namelijk als hij een trauma had overgehouden van de manier waarop Soekarno de Nederlands-Indonesische Unie had opgezegd, terwijl de inkt van het desbetreffende verdrag nog nauwelijks droog was. Nassers naasting van het Suezkanaal vergeleek hij daarmee.

Voor anderen die evenmin konden juichen over de Amerikaanse houding in de Suezcrisis, golden die koloniale ressentimenten zeker niet. Dat was bijvoorbeeld het geval met de Nieuwe Rotterdamse Courant, die de Engels-Frans-Israelische actie tegen Egypte ook verdedigde, maar acht jaar tevoren veel abonnees had verloren wegens haar houding in de Indonesische kwestie, die te 'rood' werd gevonden.

Bij haar en anderen speelde het zogenaamde Munchen-syndroom, de vrees dat concessies aan de Egyptische dictator, zoals Engeland en Frankrijk die in 1938 te Munchen aan Hitler hadden gedaan, zijn veroveringszucht alleen maar zouden aanwakkeren. (Of die vrees tegenover Nasser gerechtvaardigd was, is hier niet ter sprake.)Het is dus allemaal minder eenvoudig, minder sjabloneus dan het gemeenlijk wordt voorgesteld en verklaard. Vooral wat Luns betreft, heeft de neiging om in sjablones te denken links met enkele uitzonderingen, zoals Den Uyl, Pronk en Van der Stoel ertoe verleid die man danig te onderschatten. (Waarmee niet wordt beweerd dat rechts niet zijn eigen sjablones heeft.)Als hij geen schoothond of paladijn van de Amerikanen was, waardoor liet Luns zich dan in zijn beleid leiden? Door het Nederlands belang (zoals hij dat zag, natuurlijk; een objectief Nederlands belang bestaat niet). In de Indonesische kwestie, in de Suezcrisis en in de zaak-Nieuw-Guinea dicteerde dit hem een andere politiek dan de Amerikanen te voeren. In andere gevallen (zoals Vietnam) zag hij er doorgaans geen enkel Nederlands belang mee gediend de grote beschermer in de wielen te rijden.

Nogmaals: dit is geen bespreking van Hellema's proefschrift. Laat ons hopen dat die er spoedig komt. Niet alleen is zijn thema historisch interessant, maar het is, met zijn beschrijving van een crisis in het Midden-Oosten en een opstand in Oost-Europa, ook nog hoogst actueel. De volledige titel luidt: 1956. De Nederlandse houding ten aanzien van de Hongaarse revolutie en de Suezcrisis, en de uitgever is Jan Mets, Amsterdam.