Farmacie heeft de taakverdelingsoperatie overleefd; 'Vroegerleidden we alleen apothekers op'

Maart 1983 kwam de commissie die zich boog over de eerste en meest beruchte taakverdeling aan de universiteiten tot de conclusie dat 'op grond van de studentenaantallen' een van de vier farmacie-opleidingen wel dicht kon. De opleidingen in Amsterdam en Utrecht kwamen volgens de commissie het meest in aanmerking. Een meerderheid koos uiteindelijk voor de opheffing van Utrecht.

Minister Deetman besloot anders. In Utrecht verdween al een andere grote opleiding, tandheelkunde. Om die reden moest farmacie daar open blijven. Volgens Deetman konden Leiden en Amsterdam maar beter sluiten. Twee opleidingsplaatsen waren voldoende voor een studie die niet meer dan tweehonderd eerstejaarsstudenten hoefde op te nemen (de behoefte aan apothekers was de komende decennia beperkt, zo hadden prognoses uitgewezen) en die bovendien een dure infra-structuur kende. Groningen moest open blijven om een goede regionale spreiding te garanderen.

Vreemd genoeg overheerst in Leiden zeven jaar later tevredenheid over deze beslissing en zijn bij een van de twee vestigingen die buiten schot bleef, Groningen, de gevoelens wat gemengd.

De sluiting van de tandheelkundige opleiding aan de Groningse Universiteit, later in de jaren tachtig, heeft de farmaceuten geen windeieren gelegd. Bouwvakkers zijn druk bezig het gebouw waar nu nog de tandartsstoelen achter de ramen zichtbaar zijn, geschikt te maken voor aankomende apothekers. Het is een van de vier bij elkaar gelegen gebouwen waar binnen afzienbare tijd de opleiding farmacie zal zijn gehuisvest. Een keurige en zo tussen geneeskunde en scheikunde in bovendien symbolische lokatie voor zijn studierichting, vindt decaan prof. dr. D. K. F. Meijer. De verhuizing naar de buitenplaats Haren, ver weg van academisch ziekenhuis en chemische laboratoria, is tot zijn grote opluchting definitief van de baan.'Reorganisatie en afstemming met de universiteiten in Utrecht en Leiden' (waar de opleiding is vervangen door een bio-farmaceutisch onderzoeksinstituut), zo luidde de wat vage opdracht die de Groningse farmaceuten in 1983 van Deetman kregen. Maar allereerst werd de opleiding geconfronteerd met de gevolgen van de opheffing van de faculteiten in Amsterdam en Leiden. Studenten daar zouden hun opleiding in Groningen en Utrecht moeten afronden.

Omdat de studieprogramma's voornamelijk verschilden in de volgorde van de studie-onderdelen, leverde dit niet veel problemen op. Via korte, aanvullende programma's werden de Amsterdamse en Leidse studenten op een lijn gebracht met de Groningse. Dat het aantal eerstejaarsstudenten verdubbelde tot zeventig was problematischer. De universiteit kreeg er geen extra geld voor en de faculteit wiskunde en natuurwetenschappen waaronder farmacie ressorteert, moest bijspringen. ' Het was bovendien een extra belasting voor de vaste staf', zegt Meijer.

Het verraste hem indertijd niet dat Groningen buiten schot bleef. Het onderzoek van de Groningse farmacie-opleiding was bij beoordelingen altijd goed uit de bus gekomen en het onderwijs zou net worden vernieuwd. De Groningers vonden dat farmacie meer dan alleen apothekers moest gaan afleveren. Er werd daarom een nieuw onderwijsprogramma ontworpen, opgezet als modulair systeem. Meijer: ' Voor het Groningse onderwijs en onderzoek is de taakverdelingsoperatie nauwelijks van betekenis geweest. Je kunt hooguit zeggen dat iedereen wat beter beseft dat hij goede prestaties moet leveren.'

Liever geen apotheker

Naar het oordeel van Meijer heeft de taakverdelingsoperatie Groningen niet gebaat. Landelijk heeft, meent hij, de taakverdeling de farmacie schade toegebracht. Meijer: ' De minister heeft vanuit een zeer beperkte invalshoek naar farmacie gekeken, alleen maar vanuit de behoefte aan apothekers. Maar de mensen die wij opleiden zijn veel breder inzetbaar. Farmaceuten worden ook gevraagd voor functies in de genees- en voedingsmiddelenindustrie, in het medisch-biologisch onderzoek en in ziekenhuizen.'

Volgens Meijer begint zo'n vijftig procent van de eerstejaars de studie met het pertinente voornemen geen apotheker te worden. ' Dat verandert later wel, maar kennelijk hebben de studenten beter dan de politiek indertijd in de gaten dat de farmacie-opleiding meer is dan een opleiding tot apotheker.' Meijer meent dat de vier opleidingen gehandhaafd hadden moeten blijven. Ook hadden ze volgens hem alle vier het volledige onderwijs- en onderzoekprogramma moeten houden (' Anders kun je geen goede opleiding aanbieden'). Dat aan de ene opleiding dit wordt gedaan en aan de ander dat zoals Meijer de bedoeling van de taakverdeling interpreteert leidt in zijn ogen tot niets. De afstemming met de opleiding in Utrecht en het onderzoeksinstituut in Leiden ziet hij dan ook meer als 'een kwestie van andere accenten leggen'. Meijer: ' Je ziet op landelijk niveau een multidisciplinair netwerk ontstaan, vergelijkbaar met het contact tussen de verschillende onderzoekers die zich binnen de universiteit met de ontwikkeling van geneesmiddelen bezighouden. Die onderzoekers weten van elkaar wat ze aan het doen zijn. Ze zullen niet allemaal hetzelfde aanpakken. Bijna als vanzelf komen dan de accenten in het onderzoek anders te liggen.'

Volgens Meijer is het dankzij deze netwerken dat de positie van het Nederlandse onderzoek internationaal sterker wordt, niet dankzij de taakverdelingsoperatie. ' Maar misschien is het de verdienste van de taakverdeling dat iedereen op scherp is gezet voor de gevolgen van de open grenzen.' In 1983 trok zijn subfaculteit farmacie nog in witte apothekersjassen naar Den Haag om daar op de stoep van de minister te protesteren tegen de sluiting, maar achteraf is prof. dr. D. D. Breimer er wel tevreden over dat de apothekersopleiding uit Leiden verdween. Het bood hem de gelegenheid aan de Leidse Universiteit een onderzoeksinstituut op te zetten dat inmiddels internationaal bekend is. ' Maar het was uiteraard erg pijnlijk. Al werd er uiteindelijk maar een medewerker ontslagen, voor velen betekende de taakverdelingsoperatie een forse ingreep in hun leven. Wie werd overgeplaatst, moest naar een andere stad verhuizen.' In tegenstelling tot Meijer vindt Breimer, hoogleraar in de farmacologie en wetenschappelijk directeur van het interfacultaire onderzoeksinstituut voor bio-farmaceutische wetenschappen, dat het onderzoek veel baat bij de taakverdelingsoperatie heeft gehad. ' De oude faculteit was erg op de apothekersopleiding gericht.'

Het onderzoeksinstituut dat er voor in de plaats kwam, was de prijs die minister Deetman (onderwijs) bereid was te betalen voor een probleemloze opheffing. Hij zou het instituut tien jaar lang vier miljoen gulden per jaar verschaffen, daarna moest de universiteit de financiering voor haar rekening nemen. De onderhandelingen tussen Breimer en het bestuur van de universiteit zijn onlangs begonnen.

Aio's in de meerderheid

Het instituut opende in 1985 en doet sindsdien onderzoek naar andere dan de gebruikelijke manieren om geneesmiddelen toe te dienen. Door een geneesmiddel te binden aan moleculen of eiwitten die worden 'herkend' door de cellen waarvoor het middel is bestemd, kunnen de bijwerkingen worden voorkomen van geneesmiddelen die worden toegediend via de mond, de huid of de injectiespuit en terecht komen op plaatsen waar ze eigenlijk 'niets te zoeken hebben'. Jaarlijks beginnen zo'n dertig studenten aan een opleiding in de bio-farmacie, een bovenbouwstudie voor mensen die elders de propaedeuse biologie, scheikunde of farmacie hebben gevolgd. De opleiding levert enkel onderzoekers af. Voor een tamelijk groot deel van die doctorandi is er aan het instituut zelf gelegenheid de opleiding af te ronden met een promotie-onderzoek. Het aantal aio's (assistenten-in-opleiding) vormt een meerderheid onder de kleine honderd onderzoekers die het centrum telt.

Onlangs constateerde een commissie van voornamelijk buitenlandse deskundigen dat het instituut internationaal een vooraanstaande positie heeft opgebouwd en dat het onderzoeksterrein veelbelovend is. De commissie lichtte het instituut door op verzoek van de bio-farmaceuten zelf. ' Wij wilden weten waar we aan toe waren, en of we voor de toekomst met ons onderzoek op de goede lijn zaten', aldus Breimer. De 'peers' vonden in het nieuwe instituut ook een aantal zwakke punten. Zo bleek de onderlinge samenhang van het onderzoek door de verschillende secties gering. Ook bleef de kwaliteit van enkele groepen onder het niveau dat van een prestigieus instituut mag worden verwacht. Opvallend is dat het voor een belangrijk deel gaat om dezelfde basisdisciplines (chemie, biologie, geneeskunde) waarvan de Koninlijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen begin jaren tachtig bij een onderlinge vergelijking van de vier toenmalige opleidingen constateerde dat ze in Leiden het laagste 'scoorden'. Breimer: ' Sommige mensen hebben wat meer moeite dan andere gehad om van het farmaceutische, op de eigen belangstelling gerichte onderzoek om te schakelen naar het multidisciplinaire onderzoeksprogramma van het instituut'.

Bij de start van het centrum zijn zoveel mogelijk onderzoekers uit de oude faculteit betrokken, al werd ruim de helft van het personeel extern geworven. Het resterende personeel van de faculteit is, voor zover het niet vrijwillig vertrok, elders in het universitaire onderwijs werkzaam. Het grootste deel werd overgeplaatst naar de opleiding in Utrecht, waar ook de meeste Leidse farmacie-studenten heen gingen. Een klein deel ging naar Groningen.

Een goede wetenschappelijke reputatie van het instituut is van belang voor de afzonderlijke onderzoekers (' Voor hen telt alleen dat'), maar het vergemakkelijkt volgens Breimer ook de contacten met de farmaceutische industrie. Samenwerking met de industrie is een van doelstellingen van het centrum, en dan gaat het niet op de allereerste plaats om contract-onderzoek. Breimer: ' Wij hebben belangstelling voor langer lopende samenwerkingsovereenkomsten met de research-instituten van de industrie. Voorwaarde is wel dat die een inhoudelijke bijdrage leveren aan ons onderzoeksprogramma.'

    • Quirien van Koolwijk