Deskundigen: 'Compensatie voor dure olie ongewenst'

DEN HAAG, 11 sept. De huidige stijging van de olieprijs moet voor werknemers en uitkeringsgerechtigden niet worden gecompenseerd als dit leidt tot stijging van arbeidskosten, hogere collectieve lastendruk of een stijgend financieringstekort.

Dit zei vanmorgen prof. dr. C. Nieuwenburg, voorzitter van de Commissie van economische deskundigen (CED) bij de presentatie van het SER-rapport 'Stabilisatiepolitiek in de jaren negentig'. Het kabinet moet voorkomen dat de lonen in Nederland sneller stijgen dan in het buitenland, vindt de commissie. Het kan de druk van de ketel halen door verlaging van het BTW-tarief of van de werkgeverslasten voor de sociale zekerheid. Met de extra aardgasbaten kan het kabinet dit financieren, maar het is beter deze extra overheidsinkomsten te gebruiken voor inkoop van de staatsschuld, aldus de CED. Tegen de achtergrond van de Europese integratie beschrijft het SER-rapport de mogelijkheden die de overheid heeft voor macro-economisch beleid in de jaren negentig. Volgens de CED worden de nadelige effecten van een relatief grote loonstijging op de geintegreerde Europese markt steeds groter. De betekenis van concurrentie op prijs voor de economische ontwikkeling van de lidstaten neemt toe. Invoer- en uitvoerquoten zullen stijgen en de prijsgevoeligheid van invoer en uitvoer wordt groter. Een verantwoorde loonvorming verdient prioriteit, omdat de effectiviteit van andere instrumenten van economisch beleid afneemt.

EG-lidstaten worden steeds meer elkaars concurrent; op nationaal niveau gaat het om het behouden of aantrekken van economische activiteiten waarvoor een aantrekkelijk vestigingsklimaat (goede infrastructuur, een gunstig fiscaal klimaat en vooral een goede concurrentiepositie) is vereist. Dat houdt in dat de economiesche ontwikkeling nog gevoeliger wordt voor loonkosten. 'Immers, mogelijkheden om een te hoge kostenontwikkeling met de wisselkoers te corrigeren ontbreken in een Europese Monetaire Unie', aldus Nieuwenburg.

De CED is een groot voorstander van een zogenoemd trendmatig begrotingsbeleid. Dit betekent dat het niveau van de overheidsuitgaven en -inkomsten wordt afgestemd op de trendmatige ontwikkeling van de economie en dat werkt als een automatische stabilisator. Tijdens de opgaande fase van de conjunctuur wordt het financieringstekort kleiner en dit werkt remmend op de economische ontwikkeling. Bij een neergang gebeurt het omgekeerde. 'Maar op dit moment is het financieringstekort van de overheid nog veel te hoog om een trendmatig begrotingsbeleid te voeren', zei Nieuwenburg. De commissie pleit voor een snellere vermindering van het financieringstekort en zou de meevallende aardgasbaten hiervoor willen gebruiken. In het regeerakkoord is afgesproken dat het financieringstekort jaarlijks met 0,5 procentpunt afneemt naar 3,25 procent in 1994. 'Het zou gezien de tegenvallende economische ontwikkeling al een hele prestatie zijn als de overheid dit realiseert', meent Nieuwenburg.

Vermindering van het finacieringstekort heeft als belangrijk voordeel dat de groei van de staatsschuld wordt afgeremd. Momenteel zijn de rentelasten op de staatsschuld met 23 miljard gulden de tweede uitgavenpost op de rijksbegroting. De CED verwacht een stijging van de rente (en dus ook van de rentelasten van de overheid) omdat de vraag naar kapitaal stijgt door de herstructurering van de Oost- en Westeuropese economieen en door de financiering van het begrotingstekort in de VS.