De carriereplanning van een scholekster

Vanaf de boot volg je de veerdam en bij de dijk ga je naar rechts. Daar zie je de eerste scholeksters al. Ze staan twee aan twee op het afgeslagen randje van de kwelder. De onderlinge afstanden vertonen een zekere regelmaat.

Waar de dijk naar binnen buigt, neemt de kwelder de vorm aan van een driekantige vlakte. Hier ligt, binnen nauwe grenzen, het onderzoeksgebied. Het ziet grijs van de zeealsem, hier en daar onderbroken door een veldje paars van lamsoor.

Op dit hoekje van Schiermonnikoog broeden ongeveer tachtig scholeksterparen. Dat betekent tweehonderd eieren, die gewoonlijk dertig tot zestig vliegvlugge jongen opleveren. Maar dit jaar niet.

Op vrijdagochtend 6 juli was er storm bij springtij. De kwelder kwam blank te staan. Eieren spoelden weg, kuikens verdronken. Sinds 1984, het begin van het onderzoek, was iets dergelijks nooit voorgevallen.

Was het eerder in het seizoen geweest, dan waren de vogels nog aan een tweede broedsel begonnen. Was het later geweest, dan hadden veel jongen al kunnen vliegen. Nu werd het een verloren jaar. Op het hele terrein bleef welgeteld een jong in leven.

Al met al hing half juli al een herfstachtige bedaagdheid over de scholekstergemeenschap. De vogels hadden weinig meer te doen dan zich voorbereiden op de winter. Aan de grenzen van verschillende territoria werd nog wat gebakkeleid. De een probeerde er een metertje bij te nemen, de ander probeerde dat metertje te behouden. Zo werden de uitgangsposities vastgesteld voor het volgende voorjaar.

Hokkers en wippers

We hadden dus hokkers en wippers. Hokkers bezetten een territorium dat bestaat uit een stuk wad plus een strook kwelder. Wippers nestelen op de kwelder achter deze strook; om op het wad te komen, moeten zij over de hokkers heen.

Hokkers zijn in het voordeel. Zij lopen met hun kuikens het aangrenzende wad op. Wippers moeten telkens heen en weer vliegen om hun jongen van voedsel te voorzien. Zij zijn dan wel twintig procent van hun tijd met vliegen bezig, tegen de hokkers maar anderhalf procent.

Het verschil in broedsucces is aanzienlijk: hokkers 1,2 jong per paar per jaar, wippers 0,3. De doodsoorzaak van wipperkuikens is evident. Zij verhongeren, hun ouders kunnen de inspanning gewoon niet aan.

Zo lagen de cijfers in 1987. Nadien is het broedsucces drastisch afgenomen en dat komt door de zachte winters. Op Schiermonnikoog leven scholeksters voornamelijk van zeeduizendpoten en nonnetjes. Het nonnetje (Macoma balthica), een schelpdier van noordelijke zeeen, vermenigvuldigt zich het best als de winter streng is. Maar ook bij nonnetjesschaarste doen hokkers het naar darwinistische maatstaven veel beter dan wippers. Een goed territorium is kennelijk cruciaal.

Nu hadden we in '87 naast hokkers en wippers ook nog de bende van onad.

Nestelende scholeksters zijn betrekkelijk simpel te vangen. Ze moeten nu eenmaal altijd terug naar hun eieren. Je plaatst een klapkooitje en hoeft alleen maar af te wachten. De gevangen vogel krijgt een ring met een cijfercode in kleur. Voortaan is hij een individu.

Anders lag het met de beesten in de marge, de exterritorialen, de bende van vrijbuiters, die voortdurend op een kans loeren om zich ertussen te dringen. Dat waren de ongeringde adulten.

Wel, deze bende is er nog steeds, maar haar leden zijn niet langer allemaal ongeringd. Er zijn meer en meer vogels bij, die ter plaatse uit het ei zijn gekomen en als kuiken een ring hebben gekregen. Andere zijn gevangen bij speciale acties met een kanonnet (hiermee wordt niet een elegant Frans kanon bedoeld, maar een net dat door middel van een kanon over een groep rustende vogels wordt afgeschoten). De bende bestaat dus niet meer uit anonymi. Ook deze vogels zijn individueel herkenbaar geworden. Dat heeft de strijd om de territoria een stuk duidelijker gemaakt.' De boeiendste vraag', zegt Bruno Ens, ' is waarom sommige dieren genoegen nemen met een wipperbestaan. Waarom vechten ze zich niet kapot voor de beste territoria?'

Baard geknipt

Bruno Ens is 33 en sinds '87 is er behoorlijk in zijn baard geknipt. Hij komt van de Rijksuniversiteit Groningen. Betaald door de stichting BION (Biologisch Onderzoek Nederland) werkt hij aan een dissertatie met de titel On the causes of natural variation in reproductive succes in the oystercatcher. Ja, zo heten die dingen nu eenmaal.

Nogmaals, waarom nemen zoveel scholeksters genoegen met een slecht territorium? Ens oppert vier mogelijke verklaringen: 1. tegenover laag succes staan lage kosten; wippers zouden dan hogere overlevingskansen moeten hebben dan hokkers, 2. slechte territoria dienen als opstapje naar betere, 3. er bestaat voor de beste territoria een soort wachtrij, 4. er zijn nu eenmaal altijd sukkels die niet goed kunnen meekomen.

Als je dan gaat afstrepen, blijkt om te beginnen dat de mortaliteit onder wippers even hoog is als onder hokkers, namelijk ongeveer zeven procent per jaar. Verder is vastgesteld dat goede territoria net zo vaak van buitenaf worden veroverd als vanuit een wipperterritorium. Bovendien konden tussen wippers en hokkers geen meetbare verschillen in fysieke gesteldheid worden vastgesteld. Blijft over mogelijheid nummer 3, het bestaan van een wachtrij.

Als de belangstelling voor hokkerterritoria groter is dan voor wipperterritoria, zou het langer kunnen duren voordat je aan de beurt bent. Scholeksters hoeven zich niet te haasten. Ze kunnen dertig jaar oud worden. Maar ze hebben geen garantie dat ze dertig jaar oud worden en je kunt terwijl je wacht doodgaan dan heb je niks.

Ens: ' De voorspelling is dat een wipper in zijn leven 3,5 jongen grootbrengt en een hokker zes. Stel nou dat je als wipper veel eerder aan de slag kunt dan als hokker. Dan blijkt dat bij een verschil van vijf jaar een wipperterritorium gelijkwaardig is aan een hokkerterritorium.' Een sluitend bewijs voor deze theorie is nog niet geleverd, maar totnogtoe verklaart zij de feiten het best. Bovendien zijn daar de lotgevallen van Rambo.

Er is een lid van de voormalige bende van onad, dat al van begin af aan gevolgd kon worden. Het gaat om een mannetje, dat toevallig ooit een aluminiumring had gekregen op een afwijkende plaats, links onderaan het loopbeen. Dat is Rambo.

In 1987 kon hij eindelijk worden gevangen. Hij bleek toen dertien jaar oud te zijn. De eerste drie jaar tellen niet mee, want dan nemen scholeksters nog niet deel aan de voortplanting.

Het is niet onmogelijk, maar ook niet erg waarschijnlijk dat Rambo voor 1984 ergens gebroed heeft. Sinds dat jaar wordt hij in de gaten gehouden. Hij heeft een territorium op het wad, dus zonder geschikte nestelplaats. Jaar na jaar is hij bezig zich van daaruit een weg naar de kwelderrand te vechten.

Ens: ' Een enorm agressief beest. Aan het eind van het seizoen ziet hij er vaak vreselijk gehavend uit.' In die jaren is Rambo zo'n vijftig meter dichter bij de rand gekomen. Nog twintig en hij is er. Dan heeft hij zich opgewerkt tot hokker. Maar daarvoor is hij dan wel zo'n vijftien jaar in touw geweest. Vijftien winters met een sterftekans van zeven procent. Terwijl andere scholeksters al na een jaar of vier een wipperterritorium weten te verwerven. Je moet om hokker te worden een hoop ambitie hebben.

Geknakt veertje

De volgende ochtend vatten we post in een hut op poten op de kwelderrand. Het is eb en de zon staat nog maar een handbreed boven de horizon, er ligt een geweldige schittering over wad en water.

Om te beginnen nemen we de verdeling van de scholeksters in ogenschouw. Bruno Ens wijst op een vogel, die inderdaad een nogal verfomfraaide indruk maakt: hij is kaal in zijn nek en er steekt een geknakt veertje uit zijn vleugel. ' Dat is 'm, Rambo!' Voordat verdere explicatie kan volgen, weerklinkt een schril te-piet! ' Nu krijgen we', waarschuwt Ens, ' het Rambo-paartje tegen de Overspelige Buurman en Hennie Hangvleugel.' De vier draaien met afgemeten pasjes om elkaar heen, stijf als draaiorgelfiguren. Bij deze ceremonie worden de koppen gebogen gehouden, zodat de snavel, een steenrood slagzwaard, is weggestoken. Het ziet er allemaal vrij beheerst uit, maar uit deze situaties kunnen gemene incidenten ontstaan. Elke scholekster heeft die stille flikkering van waanzin in zijn oog.

Ondertussen heeft zich een rijtje belangstellenden verzameld. Deze vogels zijn buitengewoon nieuwsgierig. Het zijn net dorpsbewoners, ze stellen belang in ieder voorval. Net als in een dorp veranderen de verhoudingen langzaam. Het vereist een hoop subtiliteit om erop in te spelen.

Zo zitten er plotseling wel twintig scholeksters op een kluitje. Het is een chaos. Maar het conflict wordt volgens de daarvoor geldende regels bijgelegd. Na een kwartiertje zijn alle toeschouwers vertrokken.

Links van ons staan Bennie en Bernadette. Zij vormen een hokkerspaartje. Ze zijn zeker al zes jaar samen en hebben het uitstekend gedaan: zes vliegvlugge jongen, waarvan er inmiddels zeker drie in het gebied zijn teruggekeerd met aspiraties om zelf een territorium te beginnen.

In die jaren hebben Bennie en Bernadette veel terrein verloren. De vijftig meter die Rambo heeft gewonnen, is ten koste van hen gegaan. Ze hebben nog maar een smalle reep wad over en het ziet er naar uit dat Bernadette aanstalten maakt om het zinkende schip te verlaten.

Hoewel scholeksters bijna altijd paarsgewijs opgetreden, lopen de belangen van de seksen niet helemaal parallel. Vrouwtjes willen hun positie nog weleens verbeteren door zich bij een andere partner aan te sluiten. Zij nemen doorgaans het initiatief tot scheiding.

Als Bernadette het met Rambo had aangelegd, was de zaak waarschijnlijk allang beklonken geweest. Haar belangstelling gaat echter uit naar een andere buurman. Verleden jaar begon ze toenadering te zoeken, dit jaar werden haar avances nadrukkelijker. En ze blijven niet onbeantwoord.

Overspel

Vooralsnog beperkt de buurman zich tot overspel. Hij deelt zijn territorium met Hennie Hangvleugel. Ze heeft een afhangende vleugel, maar weet zich goed te handhaven. Ook zij zijn hokkers en al zeker zes jaar samen.

Arme Bennie: zijn vrouw aan de scharrel, zijn rijk bijna verloren. Waarom moet toch altijd alles eindigen in ontluistering? Maar op het ogenblik staat hij in alle rust aan zijn laatste grens en Bernadette staat naast hem. Een moment van genade.

De zon stijgt, het water ook. In de verte, net te onderscheiden met de telescoop, liggen zeehonden, luie rolmopsen op een zandbank, dertien in totaal.

Fouragerende vogels groepen geleidelijk samen en komen dichter en dichter op ons toe. Groenpootruiters, rosse grutto's, regenwulpen, te veel om op te noemen. Een kiekendief veroorzaakt onrust met zijn glijvlucht.

Nu en dan brandt de zon een gat in haar sluiers. Dan lijken de snavels van de scholeksters roder en schitteren hun ogen als robijnen.

Rambo keert terug en opent vijandelijkheden op een ander front. Volgens Bruno Ens is dat misschien wel zijn fout. ' Hij gaat over een veel te groot gebied iedereen te lijf. Anders was hij misschien allang op de rand geweest. ' Opeens is de lucht vervuld van tepiet-geluiden. Een rijtje scholeksters vliegt over andermans territoria. Dat formatievliegen doen ze veel. Meestal met z'n drieen, maar het kunnen er ook meer zijn.

Ens: ' Het lijkt alsof ze dat doen om het gebied te onderzoeken en om te kijken hoeveel weerstand er boven de territoria wordt geboden.' Zo zouden ze een beeld kunnen krijgen van goede en minder goede plekken en van de bestaande wachtlijst: ' Ik heb', zegt Ens, ' het idee dat ze al vroeg in hun leven beslissen of ze voor een goed of een slecht territorium opteren.'

Verder is het dan een kwestie van afwachten en opdringen.

    • Koos van Zomeren