1990 warmer dan '89, '88 en '87; Maar het broeikaseffect isnog steeds niet bewezen

Dit jaar wordt het warmste jaar in de weerhistorie, niet alleen in Nederland, maar wereldwijd. Eerder waren in Nederland 1989 en 1988 warmer dan alle voorgaande jaren. Wereldwijd geldt dit ook voor 1987. De gemiddelde jaartemperatuur is bij ons nu meer dan 2 hoger dan normaal en 0,5 warmer dan 1989. Extremen worden ook uit andere delen van de wereld gemeld. In de VS was het opvallend, dat na een recordkoude december de winter als geheel toch nog aan de zachte kant was. In de grafiek is voor De Bilt het lopend gemiddelde voor perioden van 30 jaar van de jaargemiddelde temperatuur gegeven. De (langzame) stijging van temperatuur is onmiskenbaar, maar is die nu toe te schrijven aan het broeikaseffect of is de meting van De Bilt niet meer representatief? Bij alle discussies over het aantonen van het broeikaseffect speelt de representativiteit van waarnemingsreeksen een grote rol. Alleen nauwgezet onderzoek kan ordening brengen in de rijstebrij van getallen. De Engelse klimaatonderzoekers Philip D. Jones en Tom M. L. Wigley hebben zich in de afgelopen tien jaar met dergelijk onderzoek bezig gehouden en brachten verslag uit in het augustusnummer van Scientific American.

Weermetingen in Europa dateren soms al van eeuwen terug. In Nederland dateert de oudste meetreeks van 1697. In dun bevolkte gebieden hier en elders zijn de meetreeksen vaak niet langer dan enkele tientallen jaren.

Allerlei praktische problemen moeten overwonnen worden om goede metingen te krijgen. In de arctische gebieden bijvoorbeeld kan moeilijk met kwikthermometers gewerkt worden omdat het kwik bij een temperaturen van tegen de -40 C bevriest en dus niet meer bruikbaar is.

Meetstations zijn zelden op een en dezelfde plaats blijven staan en wanneer dat wel het geval was zorgde de groei van steden er wel voor dat de meting beinvloed werd door het warmte-eiland van de stad. Dit soort waarnemingen moet gecorrigeerd worden door ze met naburige, ongestoorde, waarnemingen te vergelijken.

Uiteindelijk konden Jones en Wigley de (gecorrigeerde) temperatuurreeksen van 1.584 meetstations op het noordelijk halfrond en 293 meetstations op het zuidelijk halfrond gebruiken. Hun conclusie: ondanks grote variaties van jaar tot jaar is de aarde sinds het einde van de negentiende eeuw 0,5 warmer geworden. Een dergelijke trend moet ook aantoonbaar zijn in de metingen die door schepen gedaan zijn, maar ook bij de interpretatie daarvan doen zich tal van problemen voor. Zo geeft een watertemperatuurmeting door een thermometer in een opgehaalde emmer zeewater te steken 0,3 tot 0,7 verschil ten opzichte van een automatische meting aan het koelwater dat het schip binnenstroomt. Bij de emmermetingen is het materiaal van de emmer erg belangrijk: biedt het materiaal goede isolatie tegen een snelle afkoeling tijdens de meting of juist niet? Andere variaties ontstaan door de veranderende hoogte waarop de temperatuur gemeten wordt. Vlak boven het water bevindt zich namelijk vaak een laag waarin de temperatuur met toenemende hoogte snel afneemt.

Curieus is de verklaring voor het feit, dat veel metingen in de Tweede Wereldoorlog ca. 1 hoger uitkomen. Volgens de onderzoekers werd namelijk alleen overdag de thermometer afgelezen, omdat er 's nachts licht voor nodig zou zijn en dat was te riskant.

Hoe moet nu die temperatuurstijging van 0,5 graden worden geinterpreteerd, een stijging die aan de benedenkant ligt van wat de meeste broeikasexpertsverwachten? Het is daarvoor belangrijk te weten welke andere variaties er in lange klimaatreeksen op kunnen treden. Op een tijdschaal van 2-8 jaar spelen de El-Nino circulaties een belangrijke rol. Het water in het oosten van de Stille Oceaan wordt dan een stuk warmer, wat wereldwijd leidt tot een grotere depressie-activiteit en een daling van de temperatuur. Op een tijdschaal van een eeuw zijn variaties mogelijk van enkele tienden graden en het valt niet te zeggen of de gevonden 0,5 stijging het gevolg is van een meekoppeling met die trend of dat er van tegenkoppeling sprake is - hetgeen het broeikaseffect juist groter zou maken. Variaties kunnen bovendien optreden als gevolg van zonnevlekken, veranderingen in de straal van de zon en vulkaanuitbarstingen.

De onderzoekers concluderen dat al deze onzekerheden niet aangegrepen mogen worden om te wachten met maatregelen. Niets doen kan alleen worden goed gepraat als duidelijk is bewezen dat er van een broeikaseffect geen sprake is. (Harry Otten)

    • Harry Otten