Zonder vreugde terug naar Bangladesh

AMMAN, 10 sept. In het ruim van de reusachtige Antonov-124 zitten 447 vluchtelingen uit Koeweit en Irak dicht opeengepakt in kleermakerszit of met opgetrokken knieen te wachten tot het Russische vrachtvliegtuig hen eindelijk naar hun vaderland Bangladesh zal terugbrengen. Terwijl vele tienduizenden andere vluchtelingen nog in Jordanie, Turkije, Iran en mogelijk ook Irak zitten hebben zij een plaatsje weten te bemachtigen in een van de vliegtuigen die zijn ingezet voor de enorme repatrieringsoperatie vanuit de Jordaanse hoofdstad Amman.

Maar de stemming aan boord is allerminst vrolijk. Ja, we zijn blij dat onze vluchtpoging is geslaagd en dat we na alle ontberingen nu naar huis kunnen, erkent iedereen. Maar de meesten waren in Koeweit kostwinner voor hun in Bangladesh achtergebleven gezin, of zelfs voor de hele familie. En hoe moet het daarmee nu verder, waar moet het geld voortaan vandaan komen? Op de bodem van het ruim zijn schuimplastic matrassen gelegd om de passagiers bij afwezigheid van stoelen nog enig comfort te bieden. Daar overheen is een aantal koorden gespannen in de lengterichting van het vliegtuig, waaraan men bij al te grote turbulentie houvast kan zoeken. De Russische bemanning heeft erop toegezien dat de bagage grotendeels tegen de zijwanden van de luchtreus is weggestouwd loodzware koffers, onduidelijke bundeltjes textiel, plastic zakken vol druiven en als souvenir meegetroonde hele jonge olijfboompjes.

Terwijl honderd meter verderop glimmende Mercedessen met Koeweits kenteken worden ingeladen voor transport naar een veilige bestemming, werpen de Bengalen door de geheel geopende neus van het vliegtuig hun laatste blikken op het Midden-Oosten.

Acht jaar heeft Mozammel Haque zonder vrouw en kinderen in Koeweit gewoond. Nadat hij in eigen land achttien jaar in de luchtmacht had gediend, was hij naar Koeweit gegaan om daar een burgerfunctie te aanvaarden bij het ministerie van defensie. 'Zo kon ik de studie van mijn kinderen betalen', vertelt hij. 'Maar ik ben nu vijftig jaar, dus het zal wel erg moeilijk worden in Bangladesh nog werk te vinden. En onze regering is nu eenmaal te arm om iedereen te helpen.' Toen hij het nieuws van de Iraakse invasie in Koeweit hoorde, besefte Mozammel meteen dat het met zijn verblijf in Koeweit gedaan was. 'Ik wist dat ik mijn baan zou kwijtraken en ik besloot te vertrekken.'

Die beslissing werd niet bemoeilijkt door enige emotionele verbondenheid met het oliestaatje. 'Ik was daar alleen voor het geld. Een sociaal leven had je niet en van persoonlijk contact met Koeweiti's was geen sprake, want die zijn niet op buitenlanders gesteld.' Met 25 bevriende landgenoten huurde Mozammel een bus met airconditioning, waarmee ze ruim twee weken na de inval afreisden en via Irak naar Jordanie wisten te ontkomen. De Iraakse soldaten hadden Koeweit toen al volledig in hun greep, vertelt hij. Maar zij vielen hem niet lastig.

Op 26 augustus kwamen ze zonder al te veel problemen aan in Amman, waar ze in afwachting van repatriering werden ondergebracht in het overbevolkte vluchtelingenkamp bij de grote tentoonstellingshal van de stad. Daar werd zijn paspoort ingenomen en zijn naam op een lange lijst gezet. Hij zou wel horen wanneer hij voor vertrek aan de beurt was.

Zaterdagavond om kwart voor acht staan maan en sterren al boven Amman. Bij de grote tentoonstellingshal is het een drukte van belang. Duizenden nerveuze Aziaten verdringen zich voor een kantoortje waar door een megafoon de namen worden afgeroepen van de gelukkigen die vanavond kunnen vertrekken en die nu hun paspoort kunnen komen afhalen. De grote hal is hel verlicht. Duizenden mensen liggen er op de grond te kaarten, te slapen of gewoon te wachten. Eerder op de dag zijn al duizenden andere vluchtelingen naar de luchthaven vertrokken, waardoor de achterblijvers even wat meer ruimte hebben. Maar vanavond nog verwacht men 3.000 Indiers uit de kampen tussen de Jordaanse en Iraakse grens.

Buiten de hal staan door hulporganisaties geleverde tenten, maar ook armzalige optrekjes van stokken en vieze lappen. Mensen staan heftig te discussieren, zitten lijdzaam te wachten bij hun bagage, wassen zichzelf of hun kleren in een viezig poeltje of luisteren naar het voorlezen van de namen. Velen liggen ook hier te slapen, en onder een enkel tentdoek klinkt zelfs gezang en getrommel op. Een weee stank wordt slechts even verdreven als een sproeiwagentje het terrein oprijdt in een wolk van ontsmettingsmiddel.

Opstootje

Plotseling ontstaat er een opstootje. Een snel groeiende menigte geagiteerde Aziaten trekt schreeuwend en met zwaaiende vuisten op naar het kantoortje. Voorop loopt een in het wit gehulde Haji met een van verontwaardiging vertrokken gezicht. Een aangekondigde vlucht naar Bangladesh blijkt op het laatste moment te zijn uitgevallen en de vluchtelingen die daarmee hadden gedacht te kunnen vertrekken nemen het niet dat anderen, die lager op de lijst stonden, nu eerder dan zij kunnen vertrekken. In een halve cirkel staan een paar honderd donkere gezichten te schreeuwen naar de vrijwilliger die het allemaal maar moet zien uit te leggen. K. S. Choudury had een schoenenzaakje in Koeweit, maar zit nu al twee weken in het vluchtelingenkamp, waar hij zich verdienstelijk maakt bij de administratieve voorbereiding van de repatriering van zijn landgenoten. In samenwerking met Jordaanse vrijwilligers zelf ook vluchtelingen uit Koeweit is hij al tien dagen bijna dag en nacht in touw. Trillend van angst voor de kolkende menigte en hees van vermoeidheid probeert hij hen met de moed der wanhoop uit te leggen dat ze morgen aan de beurt komen. Als de politie het opstootje met een bewonderenswaardige gemoedelijkheid uiteen heeft gedreven verzucht Choudury: 'Ik zou zelf ook wel vanavond willen vertrekken.'

Maar zijn Jordaanse collega's willen daar niets van weten. 'We kunnen je niet missen.' De negen bussen vol Bengalen die op de lijst staan voor de Antonov-124, vertrekken om elf uur in colonne naar de luchthaven. De Bengalen behoren tot de weinige vluchtelingen die per vrachtvliegtuig worden teruggebracht; verreweg de meesten worden met gewone passagiersvliegtuigen gerepatrieerd. Lijdzaam ondergaan de vluchtelingen daar de laatste vertragingen, die bij elkaar zo'n zeven uur belopen. Het is alweer licht als ze zich eindelijk kunnen opstellen in een lange rij die zich als een slang over het asfalt van de startbaan slingert. Dan lopen ze een voor een de grote open muil van het vliegtuig binnen. Binnen heeft iedereen minder dan een halve vierkante meter ruimte, maar niemand klaagt. Als het logge toestel zich brullend van de startbaan verheft, liggen op de stoep van het vliegveld nog honderden Aziatische vluchtelingen te wachten op hun vlucht.

    • Juurd Eijsvoogel