Van onder het donsdek

Niets hebben we om over naar huis te schrijven. Gemeten aan het oorlogsdrama en de omwenteling van de jaren zestig is de generatie van na de watersnood ervaringsarm. Achtenzestig bijvoorbeeld, heb ik op zijn dieptepunt meegemaakt: vijf jaar later drongen de ruzies in een uiteenvallende commune door de wanden van het belendende pand heen.

Is dat erg? Nee, want aan het front van de grote betekenissen zijn ook vele slachtoffers gevallen. Voor hen wier jeugd in de schaduw van een torenhoge gebeurtenis staat, heeft het leven alle onbevangenheid verloren. Alles wat daarna kwam, was een flauw aftreksel van de oorspronkelijke emotie.

Misschien heeft de oorlogsgeneratie te veel gezwegen, zeker is dat door de revolutiegeneratie te veel is gesproken. De straten en de kroegen puilden uit van de net iets te grote woorden. Terwijl de tanks door Praag reden echoode het over de Dam: Ho Ho Ho Chi Minh. De hoogmoed van de omwentelaars keerde zich, naar goed gebruik, tegen henzelf.

Redenen om verlangend terug te zien zijn er dan ook niet. De cultivering van het zelfbeeld van een 'verloren generatie' is al helemaal uit de lucht gegrepen. Te meer omdat de grote verworvenheden binnen ieders handbereik zijn gekomen. Bob Dylan is nu op Saved na geheel op compact-disc verkrijgbaar en uit het niets is een bloeiende middenstand opgeschoten waar redelijke kwaliteit opiaat te krijgen is.

Het verval van de ideologieen heeft zo te zien de liefde ook niet echt kwaad gedaan. De straten en de kroegen zijn vol steelse blikken. De morele omslag is nu pas ten volle zichtbaar: een maalstroom van ongecensureerde wensen drijft naar de oppervlakte. Nee, je kunt van mijn generatie zeggen wat je wil, maar zoveel uitgeslapen is er nog nooit.

Los van God en Vaderland zijn de mogelijkheden onbeperkt. De geemancipeerde burger slaat zijn vleugels uit. Hoevelen zich behagelijk voelen in deze ongebondenheid valt overigens nog te bezien. Nieuwe en oude beloften van zinvol leven zullen zich vast en zeker aandienen. Voorlopig regeert de 'nieuwe onoverzichtelijkheid' (Habermas) nog.

Het leven in deze onbekommerde wanorde is gemakzuchtig en veeleisend tegelijk. Herhaaldelijk leg ik het af tegen de veelheid van wat allemaal zou kunnen op een dag. Eigenlijk kan het roer altijd nog wel een keer om. Elke dag eindigt in lichte wanhoop, terwijl het er 's morgens allemaal zo veelbelovend uitzag. Ergens tussen slapen en ontwaken lijkt de wereld nog een doorzichtig geheel. De zon filtert door de gordijnen. De poes jaagt zijn eigen staart vergeefs na. Ik draai me nog even om. Vanachter de rand van het donsdek durf ik wel. Vandaag wordt de dag uit een stuk gehouwen.

De koffie en de ochtendkrant zijn de laatste vluchtheuvel op weg naar de buitenwereld. Manmoedig probeer ik de eerste kleine tegenslagen van de dag te overwinnen: de koffiefilter scheurt, het sportkatern is spoorloos verdwenen. Ik ga in de aanslag zitten en probeer de grote lijn in herinnering te roepen. Het beeld is al wat vager geworden. Welke plannen voorrang te geven? Ik doe niets, wil van alles, maar verroer me niet en besluit het allemaal nog eens rustig te overdenken. In de wetenschap dat er al veel is gezegd komen moeilijk krachtige gedachten over de lippen.

Het is een soort uitzichtloos getob waar niemand beter van wordt. Op de sympathie van de Russische schrijver Venedikt Jerofejev hoef ik daarbij niet te rekenen. In zijn handleiding voor de gevorderde alcoholist Moskou op sterk water schrijft hij immers: 'Als een mens 's morgens opgewekt doet en allerlei verwachtingen heeft, maar 's avonds in de put raakt, dan is het echt een vent van niks, een bekrompen zak, een miezerig produkt. Zo iemand vind ik weerzinwekkend'. De traditieloze burger lijkt vrijer dan ooit. Maar er wordt wel een prijs betaald voor deze vrijheid: na de voogdij van de grote samenhang dringt de dwang van kleine arbeidsdeling zich ongeremd op.

Wie nu de jaren des onderscheids bereikt, is verder dan ooit verwijderd van Marx' hartstochtelijke beeld van een samenleving waarin 'de maatschappij de algemene produktie regelt en mij juist daardoor de mogelijkheid geeft, vandaag dit en morgen dat te doen, 's ochtends te jagen, 's middags te vissen, 's avonds veeteelt te bedrijven en na het eten de kritiek te beoefenen, al naar gelang ik verkies, zonder ooit jager, visser, herder of criticus te worden'. De vakjes waarin men verzeild raakt, worden steeds nauwer bemeten. Vrijwel niemand ontkomt. Er zijn althans maar weinig vrijplaatsen waar men kan jagen en de criticus kan uithangen. Het vermoeden dat zo de vrijheid wordt ingeperkt is juist gebleken. Alleen de heelheid die in de jaren zestig tegenover de verbrokkeling werd gesteld was hopeloos ouderwets.

Ondanks deze mislukking is de wil om te ontsnappen aan 'de barbaarsheid van het specialisme' (Ortega y Gasset) nog niet volledig uitgeblust. Het kan althans geen toeval zijn dat denkers die stuk worden gelezen, zoals Gyorgy Konrad of Simon Schama, zich weinig aantrekken van de specialismen in wetenschap en cultuur. De grote greep van een wereldbeeld mag dan potsierlijk zijn geworden, de noodzaak van een eclectische tijdsdiagnose is daardoor juist toegenomen.

Berusting in een steeds verdergaande verkaveling van de kennis is een armoedig compromis. De enige uitweg is het op gang houden van het ongeregelde grensverkeer tussen de disciplines. Uiteenlopende genres als de journalistiek, het praktische engagement en de academische wetenschap behoren een levendig contact te onderhouden.

Maar wat overheerst, is de neurose die ook op elke camping te bewonderen valt: het liefst is men de hele dag bezig met het afpalen van eigen grondgebied. Een leven aan gene zijde van deze barbarij is mooi en onmogelijk tegelijk. Onvermijdelijk dringt de orde zich op in de wirwar van alle dag. Ideeen die altijd het proberen waard leken, zijn haast vanzelf ver weg geraakt. Ooit verfoeide normen bollen achter het behang: God en Vaderland broeden op een stille revanche. Aarzelingen worden tot teken van zwakte en onschadelijk gemaakt. Nog steeds tegen wil en dank, dat wel.

Alsof het zo niet al erg genoeg is, krijg je ook nog een warm onthaal van hen die hun jeugd allang aan de wilgen hebben gehangen. Ze zijn tevreden nu ze vaststellen dat je deelgenoot gaat worden van hun eigen angst. Die gretigheid om een dolende ziel op te voeden is onverdragelijk.

Maar waarom zou iemand zoals ik die de ene dag sportverslaggever wil zijn en de andere dag droomt van het baanbrekende boek, op zijn woord moeten worden geloofd? Zoveel onwil om de werkelijkheid van alledag onder ogen te zien belooft weinig goeds.

Ik heb geen ongelukkige jeugd gehad, was te laat voor alle belangrijke gebeurtenissen van mijn tijd en kan me dan ook nergens op beroepen.

Met ingang van vandaag schrijft Paul Scheffer elke veertien dagen op de opiniepagina een column. Hij is medewerker van de Wiardi Beckmanstichting, het wetenschappelijk bureau van de PvdA, en publicist op het terrein van de internationale politiek.

    • Paul Scheffer