Straatjongens bezingen levenslust

Ook buiten de perioden van het Wereld Muziek Concours is het culturele aanbod van Kerkrade gevarieerd. Een paar weken geleden konden liefhebbers van kamermuziek er terecht voor het Orlando Festival, binnenkort volgt het Internationaal Harmonica Treffen en dit weekeinde verwelkomde de stad voor de negentiende keer het Schlager Festival.

Het gaat hier niet om zomaar een liedjesprogramma, maar om een evenement met een idealistische lading. Het festival in de Roda-hal is een jaarlijks hoogtepunt van de kruistocht die organisator Harry Thomas al sinds jaar en dag voert tegen de hegemonie van het Engelstalige repertoire en daarmee van de Angelsaksische cultuur. Hij heeft het vooral gemunt op 'Hilversum', zo liet hij eind jaren zeventig weten: op de mensen die het bij de omroep voor het zeggen hebben en meer in het bijzonder op 'de heren discjockeys' (ook wel aangeduid als 'blerbekken') alsmede hun helpers bij de 'west-Nederlandse pers'. Samen vormen zij, zo betoogde hij in Duitse muziekbladen, een Musikmafia die de radio en tv vrij van schlagers wil houden. Daartoe zet men volgens zijn zeggen aan tot discriminatie en zelfs een regelrechte boycot, waarvan hij in 1975 reeds de regering van de Bondsrepubliek op de hoogte stelde.

De grimmigheid van de strijd werd geaccentueerd door kort gedingen van Thomas tegen de Nationale Hitparade en de Stichting Nationale Top 40, die hij ervan beschuldigde Duitstalige platen uit te sluiten. In beide gevallen dolf hij het onderspit, maar daar stond tegenover dat de Westduitse ambassadeur de schlagerpromotor in 1979 bij wijze van compensatie onderscheidde met een Gouden VIP. Sindsdien heeft Thomas met nog meer nadruk de lof gezongen van het zogenaamde Duitse kwaliteitslied: 'normale muziek' waarvan de Nederlander naar zijn oordeel meer houdt dan van 'het Engelse gebler' dat slechts hoofdpijn veroorzaakt. Desondanks worden schlagerliefhebbers, merkt hij, in bepaalde kringen ook nu nog beschouwd als minderwaardige individuen en houden de media in het westen (behoudens uitzonderingen als de Tros) zich nog altijd afzijdig. Dat geldt ook voor deze krant, die het tot op heden niet noodzakelijk vond aan het muziekfeest in Kerkrade aandacht te schenken.

Dat verklaart misschien waarom de beloofde toegangskaart benevens pers-badge dit weekeinde niet gereed blijken te liggen. Als ik een half uur later na enig gedrang alsnog een plaats vind op het schellinkje, slaat het gevoel van teleurstelling snel over in verbazing. Het is alsof enkele decennia van voortgaande beschaving opeens wegvallen, alsof hier in de Roda-hal het verleden regeert. Al meteen in de ouverture voeren vier musici in witte smokings ons met hun Goldene Trompeten op de tonen van Mutterlein terug naar de lunchrooms van Ruteck's in de jaren vijftig. Dan kondigt het idool Dennie Christian (zwart fantasiekostuum, lakschoenen, krullenkapsel) de Oostenrijkse vedette Andy Borg aan. Begeleid door een afwezig orkest zingt hij met de kleine Alexandra Komm setz di auf an Sonnenstrahl en daarna alleen Adios, schwarze Rose. Vervolgens is de beurt aan Peter Orloff, Costa Cordalis (de felbegeerde Duitse Griek) en allerlei andere artiesten met namen als Mel Jersey, Jonny Hill en Jurgen Drews, die in schitterpakken getuigen van hun liefde voor Anita, Marlene en Lisa. Hoewel de ritmeboxen intensief worden gebruikt, voert elke nieuwe Star ons verder terug naar vroeger, naar de gouden tijd van de Duitse UFA-films toen Johannes Heesters zijn Hochzeitsnacht im Paradies beleefde en Marika Rokk er geen geheim van maakte dat zij Heisses Blut had.

Levenslust

Na drie, vier nummers begin ik te begrijpen dat het de aanwezigen niet zozeer gaat om de schlagers die op het programma staan als wel om de huldiging van de zangers na afloop. Zodra de laatste noot is verklonken, wordt het podium keer op keer bevolkt door groepen bewonderaars die (anders dan bij popconcerten) alle gelegenheid krijgen hun uitverkorene te kussen en voorzichtig aan te raken. Wie ziet hoe zij daar zo bezig zijn, hun luchtdicht verpakte rozen trillend in de lucht, moet onwillekeurig denken aan documentaires over verre volkeren: nadat de huwbare mannen zich van hun beste kant hebben getoond, dingen de vrouwen in het zand van de woestijn naar hun gunsten.

Zo bezien is het voor een schlager-ster van ondergeschikt belang of hij al dan niet goed kan zingen. Het gaat erom dat hij voor de ingewijden een belevingswereld vertegenwoordigt die Leonard, de ranke Zwitserse deelnemer aan het festival, samenvat in de titel van een van zijn liederen: Lust auf leben. Voor een juist begrip van het gebodene verdient het aanbeveling dit steeds voor ogen te houden. Met hun gouden kettingen, glimmende hemden en modieus gevormde kapsels zien Marc en Dave, Patrick Lindner, Freddy Breck en hoe ze verder mogen heten eruit als jongens van de straat, als opzichtige ritselaars en brutale bar-bezoekers, maar dat zijn observaties die er niet toe doen. Voor hen die behoren tot de schlager-secte zijn het halfgoden die zingen dat dich lieben gelijk staat aan leben en al doende het beste in de mens losmaken.

Maar ook andere gemoedsaandoeningen komen aan de orde. Alles gehabt und alles verloren zingt Jonny Hill en Am Ende bleiben Tranen, meent Klaus Densow. Eigentijdse schlagers gaan bovendien 'politieke en maatschappelijke thema's' niet uit de weg, stelt Harry Thomas vast. Zo zong zijn beschermeling Dennie Christian al eens over Vrijheid en Vrede, een Leitmotiv dat aansluit op zijn nu met Micha Marah gebrachte topper Europe Together, waarin Die Grenze sind vorbei de sleutelzin vormt. Toch gaat de aandacht van veel tekstdichters nog vooral uit naar de romantische en exotische kanten van het bestaan, die worden aangeduid met de trefwoorden Gondola, Balalaika, Paloma, Sehnsucht en (ook nu nog) Roter Wein.

De grotere verscheidenheid aan onderwerpen heeft geen gevolgen voor de melodieen, die nauwelijks van elkaar verschillen. Ze vormen een geruststellende deken van geluid, die de boze wereld buitensluit. Tijdens de marathonzitting in de Roda-hal wordt dit effect nog versterkt door de onstuitbare geluidsband, die in vijfeneenhalf uur tijd maar een keer hapert. Het slachtoffer is de veteraan Fred Bertelmann (bijgenaamd Der lachende Vagabund), bij wie tijdens Mit dir mocht'ich 100 Jahre werden de royale orkestbegeleiding vervaagt tot armzalig gejengel. 'Lieber Techniker, stop!' roept hij smekend, maar de band loopt onverbiddelijk door. Dit wordt een pijnlijke afgang, denk ik, gegeneerd naar de grond kijkend. Maar het publiek reageert niet zolang de vagebond blijft lachen en er nog een rest van de ritmische dreun uit de boxen komt, is er blijkbaar geen reden voor zorg.

Afgezien van een Limburgs Kunstlerteam, is Vader Abraham de enige Nederlander die het tijdens het festival mag opnemen tegen de Duitse invasie. Op dezelfde plek waar hij dertien jaar geleden het Smurfenlied introduceerde, brengt hij de premiere van een gestroomlijnd vervolg, waarvan mij alleen de woorden Shalalalala shalalalali (of klanken van gelijke strekking) bijbleven. Niets blijft onbeproefd om ook van dit nummer een wereldhit te maken, verzekert hij later op de avond in de artiestenfoyer. Straks wordt het lied uitgebracht in de Verenigde Staten, Canada en Engeland, maar de komende maanden zijn eerst Duitsland, Oostenrijk en Zwitserland aan de beurt. Hij heeft alle vertrouwen dat zijn nouveaute in deze contreien zal aanslaan. 'Ik mik daar vooral op mijn Gemutlichkeit', zegt hij. 'Tenslotte ben ik van oorsprong een Kleine Kneipe-zanger.' Inmiddels is het eind van de avond in zicht. Als Karel Gott (de gouden stem van Praag) zijn Polka Potpourri tot een goed einde heeft gebracht, zorgt Rex Gildo om kwart over een voor de finale. De bruin geschminkte mega-ster, gehuld in een felblauw pak met gouden broche, zingt Das alte Lied von St. Helena en Bei dir ist es immer so schon. Dan onttrekken de meisjes met hun champagne-rozen hem aan het gezicht.

Achter de schermen kijkt Harry Thomas, zijn omvangrijke gestalte gedrapeerd over twee stoelen, tevreden rond. Volgens insiders zijn daar goede redenen voor: met de Duitse eenwording in het verschiet zou men in Hilversum de bakens wel eens kunnen gaan verzetten.

Vader Abraham en het Oostenrijkse kindersterretje Alexandra (rechts, op de rug) in de kleedkamer tijdens het Schlager Festival Foto Freddy Rikken

    • Paul Hellmann