Pools criticus Andrzej Zurowski over het Theaterfestival; Ons eigen culturele vaderland

ROTTERDAM, 10 sept. In het Rotterdamse museum Boymans-van Beuningen sta ik lang stil voor de Toren van Babel van Pieter Breughel. Voor het eerst zie ik het origineel. Die zwerm van microscopisch-kleine gestaltes, dat gekrioel van op reproducties nauwelijks waarneembare mensen op al die verdiepingen, in al die hoeken van dat bouwwerk. Onverwacht dringt zich een associatie op met de voornaamste reden van mijn bezoek: ik ben in Rotterdam voor het Theaterfestival 1990, een misschien wel bijzonder festival, dat zich afspeelt in een voor Europa zeker bijzondere tijd, want ons continent wordt eindelijk 'een gemeenschappelijk huis'. Die tijd van nijvere bezigheden in onze 'Toren van Babel' weerspiegelt zich ook in een natuurlijke spiegel: in het theater. In de vorm van het theaterleven zelf, dus ook in theaterfestivals. Aan de ene kant zijn er de gigantische, voortdurend uitdijende internationale festivals die de toneelgezelschappen in de diverse landen onder een noemer brengen; die wijzen op het verlangen naar integratie, naar een samenzijn in een gemeenschappelijk huis. Aan de andere kant komt er een type festival op, zoals hier in Rotterdam bijvoorbeeld, waar kleine groeperingen zich juist manifesteren. Zij bekommeren zich om een artistieke vorm van de eigen identiteit, of zoals de Poolse dichter Czeslaw Milosz dat noemt om 'het kleine culturele vaderland'. Zo'n festival is voor een buitenlander het moeilijkst naar waarde te schatten. Naast de taalbarriere heeft hij te kampen met de culturele eigenaardigheden van dat hem vreemde 'kleine vaderland'. Het wordt zo mogelijk nog gecompliceerder wanneer we te maken hebben met verschillende vormen van grensverleggend theater. Ik heb er geen idee van of het echt zo is, maar als het Theaterfestival 1990 werkelijk het belangrijkste overzicht biedt van het Nederlandse theaterleven, dan is het meest frapperende zonder meer de afkeer van het traditionele theater. Dit festival wordt gedomineerd door moedige experimenten en de wil tot onderzoeken.

Ik heb een zwak voor Theatergroep Hollandia. Diepe indruk maakten zij op mij tijdens het Holland Festival met de voorstelling Ossi-Town, met achterop het toneel een gigantisch raam waarachter zich een authentiek Hollands landschap uitstrekte! Prometheus van Aischylos (regie: Johan Simons en Paul Koek) wordt gespeeld in een ander gedeelte van het gebouw van de theatergroep, een gigantische autowerkplaats. In Ossi-Town rook het van achter dat openstaande raam naar versgemaaid gras, ergens in de verte ging de zon onder. In Prometheus overheerst het vuil, de schilferende muren, de kapotte en armzalige mensen, wie de goden het vuur misgunden. Het doet er niet toe aan welk van beide voorstellingen ik de voorkeur geef: dit is theater met een eigen gezicht. Het werkt met symbolen, met metaforen en atmosferen. Theater als poetische plek.

Een wel heel principiele vraag wordt geprovoceerd door de voorstelling Marche funebre pour chat naar Kosmos van Witold Gombrowicz, dat op dit festival werd gebracht door Johan Dehollander, Ryszard Turbiasz en Dirk van Dijck. Het is de vraag hoe je een surrealistische of zelfs groteske tekst kunt ensceneren. Kosmos behoort tot dat soort teksten, geconstrueerd op basis van de tegenstelling tussen woord en daad bij de hoofdpersonages. Moet je het vreemde van een dergelijke wereld tonen door de handeling op toneel nog 'vreemder' te maken? Of moet het juist omgekeerd: de vreemdheid aanscherpen door haar te laten constrasteren met een ogenschijnlijke 'gewoonheid', met een realistische theaterconventie? De voorstelling op dit festival koos voor de eerste mogelijkheid. In Polen gebruiken we in het geval van een dergelijke tautologische methode het gezegde 'Twee paddestoelen in de soep'. Twee, waar een meer dan voldoende is voor een goede smaak.

Tegen het licht van dergelijke esthetische kwesties bleek Het syndroom van Stendhal van regisseur/auteur Frans Strijards (Art en Pro) een hartstochtelijke voorstelling. De theatrale conventie zou ik willen omschrijven als schijnbaar realisme, of beter nog gesimuleerd realisme. De ruimte, de mise-en-scene en vooral de stijl van acteren, alles lijkt realistisch; maar wel met meteen merkbare accenten en een bescheiden, maar duidelijk overarticuleren. De kijker krijgt het besef dat wij ons nu begeven in een, zoals Gombrowicz zei, realiteit-irrealiteit. Het syndroom is als dialoogstuk voor een buitenlander moeilijk naar waarde te schatten. Des te sterker werd ik getroffen door de helderheid van de voorstelling, die het mogelijk maakt om zonder kennis van de tekst de dimensie van de realiteit waar te nemen waarin de handeling zich afspeelt. De op voortreffelijke wijze aangebrachte accenten en het ritme dwingen respect af voor het vakkundige talent van de schijnbaar 'onzichtbare' regisseur.

Tenslotte twee voorstellingen waarover het zinnig is te spreken in hun onderlinge samenhang: Ballet van Gerardjan Rijnders in zijn eigen regie (Toneelgroep Amsterdam) en Stella, een auteursspektakel van Anne Teresa de Keersmaeker in haar eigen regie en choreografie (Theater Rosas). Beide voorstellingen zijn wat genre betreft moeilijk te classificeren. Het zijn pogingen om in het theater de krachten van drama, muziek, woord, dans en zang te integreren. Die pogingen zijn heden ten dage wijdverbreid in het 'zoekende theater'. Stella verrukt door datgene wat in Ballet ontbreekt: de eenheid, de complete vereniging van alle elementen van de structuur. In Ballet ontwikkelen die theatrale elementen zich onafhankelijk van elkaar. In Stella daarentegen vond een complete vereniging plaats van alle elementen, die samen een theater schiepen van een nieuwe orde. Het woord riep hier de beweging op, de tekst schept mede het geluid, de stem brengt de dans voort. Uit de dynamiek van de gesproken tekst breekt op natuurlijke, ja zelfs onontkoombare wijze de dans los. Dit is grensverleggend theater, op de grens van genres en op de grens van het excellente.

Het festival is half voorbij. Ik kom weer in het museum. Het is alsof ik nu wat geruster stil sta voor het schilderij van Breughel. De Toren van Babel, die krioelende mierenhoop. Maar die zit vol met kleine hoekjes, geschikte plekjes voor al die 'kleine vaderlandjes'.

    • Andrzej Zurowskiop het Theaterfestival