Nu er ruimte is voor idealen zijn de onderwerpen vergeten

Heimwee naar de geest van de na-oorlogse wederopbouw en naar het engagement van de jaren zestig en zeventig voert de boventoon in de rede waarmee de voorzitter van het college van bestuur van de Universiteit van Amsterdam, drs. J. K. M. Gevers, vanmiddag het academisch jaar aan zijn universiteit opende. Waar is de verwondering en de opwinding gebleven, juist nu daar zoveel reden toe is. De universiteit staat op de drempel van een nieuwe tijd, waarom zou ze zich daar niet naar gedragen? Hieronder een samenvatting van de toespraak.

Wat is er toch aan de hand met ons vermogen tot opwinding en verwondering? Redenen voor verwondering zijn er te over. De jaren negentig zijn bepaald niet begonnen met meer van hetzelfde. Sinds we vorig jaar het Academisch Jaar openden, is wat zich toen aankondigde als mogelijk verstrekkende veranderingen in de wereld in nog veel sneller tempo dan we konden voorzien tot werkelijkheid geworden.

Reden tot intense verwondering, zou men zo zeggen, en toch is er zo weinig verwondering, zo weinig heuse opwinding merkbaar. Natuurlijk, we volgen het nieuws van dag tot dag, maar we verbazen ons niet meer. Een krantekop over een onmiddellijk aanstaande Duitse hereniging zou in alle jaren waarmee de huidige generaties ervaring hebben op een op 1 april denkbaar zijn geweest. In 1989 en 1990 volgen zulke koppen in de krant elkaar dagelijks op en meldt de volgende al, dat het eerder zal gebeuren dan de vorige kon berichten. We praten over hoe reusachtig het allemaal is, of hoe ongelooflijk, hoe snel en wat een overwinning voor de vrijheid. Het is echter als het uitwisselen van beleefdheden. Er valt heel weinig te merken van een geest van opbouw zoals in de na-oorlogse jaren, noch van heftige conflicten van ideeen en stromingen zoals in de jaren van Vietnam, bewapening, atoomdreiging en aandacht voor de Derde Wereld, noch van een gevoel van maakbaarheid van de samenleving dat eind jaren zestig en begin jaren zeventig de intellectuele klasse in het Westen en ook onze universiteit beving. Mij dunkt, dat er voor dat alles nu meer reden is dan ooit, maar er is minder van te ontwaren dan zelfs de meest verstokte, ontideologiseerde pragmatici voor mogelijk hielden.

Er is alle reden aan te nemen, dat het einde van het millenium, zoals dat ook hoort, meer discontinuiteiten, en daarmee meer kansen, risico's en omwentelingen met zich meebrengt dan we tot voor kort dachten. De feiten kondigen veranderingen aan, terwijl we het niet lijken te willen weten, moe als we zijn van deze eeuw. Nu er wat te bouwen valt, lijkt de energie op. Voor de nieuwe samenleving zijn de blauwdrukken van weleer vergeeld. Er komt ruimte op de agenda voor idealen, maar de onderwerpen zijn vergeten. Waarom zouden we onszelf er eigenlijk niet van overtuigen, dat we wel degelijk op de drempel staan van een nieuwe tijd en waarom zouden we ons niet enthousiast daarnaar gedragen? Wat is de plaats van universiteit en wetenschap in onze samen leving en in ons leven van vandaag?'Een wolkje wetenschap', dat lijkt me wel wat als titel. Zo is het, dunkt me, met wetenschap gesteld: aardig en nuttig, veel voor en weinig tegen, voorbijdrijvend op de wind in de blauwe lucht van alledag, aangenaam oplossend in de koffie van in stand blijvende vooroordelen, en nogmaals, vooral heel aardig.

Als het waar is, dat wetenschap in de huidige tijd zo'n wolkje is, is dat een op het eerste gezicht merkwaardige constatering. Immers, we wanen ons in een kennis-maatschappij en we gaan in onze redeneringen uit van het toenemende belang van wetenschap en van de verwetenschappelijking van het wereldbeeld. Toch is dat slechts een schijnbare paradox. Zoals een volkomen gerationaliseerde wereld noch de broedplaats, noch de ideale verblijfplaats van intellectuelen is. zo zou in de verwetenschappelijkte samenleving de plaats van zelfstandige wetenschapsbeoefening kunnen marginaliseren. Een soort van secularisatie en 'routinisering' van wetenschap; wetenschap die handelswaar, wegwerpartikel, of willig instrument wordt. Een dergelijke ontwikkeling is in allerlei opzichten onvermijdelijk en heeft de laatste halve eeuw al op grote schaal plaatsgehad. Ze hoeft ook niet verwerpelijk te zijn. Integendeel, wetenschap heeft die rol verworven en het is haar succes. Aanzienlijke delen van de kennis-infrastructuur dienen zich met toewijding op die functionele rol te richten. Ik ben er echter eveneens van overtuigd, dat het binnen het geheel van hoger onderwijs en wetenschapsbeoefening bij uitstek de universiteit is, die het zich tot een eerste zorg moet rekenen aan uitwassen van die ontwikkeling en aan die zuiver dienstbare rol weerstand te bieden omwille van de autonome waarde van de wetenschap.

Opereert zelfstandige wetenschapsbeoefening inderdaad in een onverschillige, soms zelfs vijandige wereld? Een aantal omstandigheden maken deze bewering plausibel.

Er is in de eerste plaats wat ik zou willen noemen: de verontrustende kwaliteit van de publieke omgeving. Telkens wanneer in onze eigen universitaire kwaliteitszorg een stap vooruit wordt gezet, wat de laatste jaren zeker gebeurt, moet men zich eigenlijk realiseren hoe weinig vanzelfsprekend kwaliteit maatschappelijk gesproken is. Kwaliteit moet tegen de stroom in bevochten worden. Dezelfde samenleving die kwaliteit eist, schept ook de voorwaarden om het bereiken ervan zo lastig mogelijk te maken. De publieke omgeving en de wetenschap onderhouden een curieuze relatie. Ze beinvloeden elkaar uiteraard, ze hebben elkaar nodig en ze horen elkaar dwars te zitten.

Neem overheid en wetenschap. Door een proces van verstatelijking zijn ze met elkaar verstrengeld geraakt en op een aantal punten nagenoeg ononderscheidbaar geworden, waardoor wetenschap haar eigen aard dreigt te verliezen. Daar komt bij, dat de overheid de zorg heeft voor kwaliteit in het hoger onderwijs zonder daar zelf een toonbeeld van te zijn. Eigenlijk gaat het met overheden in ons soort landen de laatste tijd niet best. Ze wekken de indruk al sukkelend af te gaan op hun definitieve irrelevantie, achterhaald door tal van andere arrangementen van burgers, of zich zelfs gereed te maken voor hun algehele opheffing in het kader van komende supra-nationale, zowel als sub-nationale statelijke constructies. Wie de kwaliteit van de overheid vandaag in ogenschouw neemt, kan niet om een aantal negatieve zaken heen, uiteraard naast een groot aantal positieve verworvenheden uit het verleden. Ik bedoel negatieve zaken als het zich repeterende gedoe met paspoort, OV-kaart, omroep, of visfraude; het niet tot orde op zaken in eigen organisatie kunnen komen; het verliezen van controle over gezondheidszorg of sociale verzekering, en het alleen maar langs platgetreden paden van eveneens repeterende bezuiniging kunnen omgaan met het gegeven van een schijnbaar arme overheid in een rijk land. De associatie met zo'n overheid is geen pluspunt voor de weten schap, die naar eigen ambitie en opgejaagd door de externe eis tot verantwoording tot excelleren is gehouden. Het maakt niet alleen het bereiken van kwaliteit moeilijker, het belemmert ook de zichtbaarheid van de eigen universitaire identiteit.

Wetenschap heeft echter niet alleen last van de overheid, maar is, afgaande op haar eigen maatstaven, net zo zeer schuld aan het geconstateerde kwaliteitsgebrek. Bestuurs- en bedrijfskunde, economie en rechtswetenschap, hebben hun werk kennelijk onvoldoende gedaan. Of is dit nu een uitspraak, die het wolkje wetenschap tot te serieuze proporties opblaast? Weer contrasteert de notie van een verwetenschappelijkte samenleving met het gevoelen dat wetenschap maar beter op haar bescheiden plaats kan blijven. Als wetenschap al niet veel kan bijdragen aan een efficientere en doelmatiger overheid, hoe kan ze dan bijdragen aan een welvarender en betere samenleving? Of moeten we die pretentie ook maar niet hebben? De onverschilligheid van de publieke omgeving tegenover de wetenschap wordt ook geillustreerd met de geringe kwaliteit en veelal de afwezigheid van publiek debat over wetenschap en universiteit en met het ontbreken van een gearticuleerd en consistent politiek draagvlak. Er doen zich in deze jaren een aantal mijns inziens bedenkelijke ontwikkelingen voor. Een zeer aanzienlijk deel van de zo genoemde publieke middelen voor hoger onderwijs zijn ondergebracht in de studiefinanciering, een genereus systeem van inkomensoverdrachten, geheel passend in de termen van de verzorgingsstaat. De verkokerde Haagse aandacht voor financiele problemen concentreert zich geheel op dit aspect en achter het aanvullen van dat tekort of het beheersen van die uitgaven gaat het afkalven van de echte infrastructuur die hoger onderwijs heet volkomen schuil.

Voor je het beseft is studeren dan net zoiets geworden als uitkeringsgerechtigd zijn in de WAO. Als vanzelfsprekend en gedachteloos wint de beheersing van de instroom in dat systeem van overdrachten en het bevorderen van de uitstoot eruit het van dat mooie ideaal van hoger onderwijs voor velen. De goedbedoelde overheidsinspanning om wat resteert naar vermogen te financieren, erodeert tezelfdertijd het politieke draagvlak voor de eigenlijke infrastructuur van onderwijs en wetenschap. De overheid als slachtoffer van de burger en de taken van de universiteit ontleend aan de beheersbaarheid van een sociaal stelsel. Het gaat niet goed met Nederland.

Het beeld van een wolkje wetenschap in een precaire, veelal tegenstrevende omgeving, zou licht somber kunnen stemmen.

Het is echter niet mijn bedoeling om somber te stemmen. Mijn fragmentarische en soms polemische schets van overheid, samenleving en tijdgeest duidt weliswaar op bedreigingen voor de geest van autonome wetenschap en de idee van de universiteit, maar het zijn de bedreigingen aan de vooravond van iets ongewis nieuws. De waarschuwing luidt, dat er bij nadere beschouwing weinig reden is van een natuurlijke waardering en bescherming van wetenschap in de samenleving uit te gaan, tenzij men de wetenschap zelf compromitteert. Die illusie zijn we dan armer. Voor een deugdelijk debat over hoger onderwijs schept dat helderheid. De illusie die we kunnen winnen is interessanter. We kunnen ons weer verbeelden voor een tijd van omwentelingen te staan. De wereld van nog maar pas geleden lijkt voorbij. In de maatschappij wordt de agenda van de wereldvraagstukken ingrijpend gewijzigd.

Wat staat ons aan de universiteit te doen? Uit een lijst die bijna zonder einde is, beperk ik me tot twee onderwerpen: onderwijs en organisatie.

Zonder het onderzoek ook maar een moment te vergeten, wil ik een pleidooi houden om het wetenschappelijk onderwijs de komende jaren centraal te stellen. Wetenschappelijk onderwijs vormt nog altijd de oorspronkelijke en primaire taak van de universiteit. Om het mooier te zeggen: de universiteit leidt de toekomstige elite en voorhoede van de maatschappij op en geeft daaraan vorm naar karakter en wereldbeschouwing. Deze taak reduceren tot niets meer dan iets functioneels, tot opleiding voor een markt, of voor een beroep zonder meer, is erger dan een misdrijf, het is een fout.

De studenten die vandaag om wetenschappelijk onderwijs vragen, doen dat in geheel andere omstandigheden dan voor mijn eigen generatie en de generaties daarvoor golden. Ze worden geplaagd door grotere massaliteit en kwantitatief minder begeleiding dan toen. De bestaanszekerheid is aan voortdurende veranderingen vanuit landelijk beleid onderhevig, terwijl de reactie daarop binnen de universitaire studieprogramma's onduidelijk en onsamenhangend is. Voorlichting over de studie en interne doorzichtigheid van organisatie laten in veel gevallen te wensen over. En het perspectief van de studie en de legitimatie om eraan te beginnen zijn fundamenteel onzeker geworden. Studenten van nu zijn in een aantal opzichten niet te benijden. Ook al is studeren nog steeds de beste kans die je kunt krijgen, er hangt een wezenlijke ongewisheid rond het studentenbestaan, die meer nog dan met materiele omstandigheden met het verschuivende beeld van wetenschap en wereld te maken heeft.

Mij dunkt, dat de reactie hierop van de universiteit meer aandacht moet krijgen dan tot nu toe. Ik koester tevens de overtuiging, dat die reactie van andere aard moet zijn dan een kritiekloze aanpassing aan het onmiddellijk gevraagde en een directe afstemming op elke zich aandienende, vooral economische functie, zoals men hier en daar in discussie en praktijk wel hoort bepleiten. In een gedifferentieerd stelsel van hoger onderwijs van een rijk land is voldoende plaats voor al die noden, maar er hoort ook plaats te blijven voor het speelse, het functieloze, voor onvermengde kwaliteit, het onverkort kritische, voor een zekere zorgeloosheid, voor ruimte voor vergissingen, voor het niet nuttige en het nog onbeproefde. De vrijplaats voor dat alles is voor een belangrijk deel de universiteit. Voor de vorming van de intellectuele voorhoede van rond de keer van het millennium kan niet een krap bemeten klaslokaal dienen, doch slechts een complete universitaire omgeving die studenten tot steun is in barre tijden en tot inspiratie een leven lang. Universiteiten hebben samen met de overheid de simpele maatschappelijke plicht zulk een infrastructuur in stand te houden, niet afgeleid door welke overweging van voorbijgaande aard dan ook.

Binnen de universiteit moeten we al onze creativiteit gebruiken om dreigende massaliteit, bureaucratisering en desintegratie in het onderwijs om te buigen in de goede richting. Wat de organisatie van de universiteit betreft, lijkt mij de discussie over de structuur veel minder interessant een komend nationaal debat daarover ten spijt dan grondige reflectie op de bestuursinhoud van wat ik met een knipoog even de postmoderne universiteit noem. Hoe er wordt bestuurd ongeacht de structuur, lijkt me de vraag die ons bezig moet houden, en aan de universiteit zelf kan de wetgever de structuur dan rustig overlaten. Ik meen, dat de universiteit in de komende jaren dringende behoefte heeft aan een zelfstandige en ongedeelde legitimiteitsbasis. De universiteit moet het, om zo te zeggen, op eigen kracht gaan redden, niet langer meegetrokken op de slippen van overheid, statuut of wet, maar voortdurend zelf legitimiteit verwervend ten behoeve van de wetenschap dat wolkje wetenschap van dit betoog. Daartoe dienen bestuur en wetenschap direct in elkaars verlengde te liggen.

    • J. K. M. Gevers