Kakofonie

De hoofdstedelijke binnenstad ontpopt zich, ook op dagen dat er geen vrij- of uitmarkt wordt gevierd of een voetbalelftal of koningin wordt gehuldigd, langzamerhand tot een groot lunapark. Uit vrijwel iedere winkel in de Kalverstraat klinkt een basdreun die zich hinderlijk aan de passant opdringt. Meisjes die zich vermoedelijk ook 's avonds in hetzelfde oorverdovende discolawaai begeven, wachten verveeld op het ritme meebewegend op clientele. Je vraagt je af waarom die winkels zich niet collectief op een soort muziekcentrale aansluiten. Dat bespaart ze de aanschaf van een geluidsinstallatie met de kosten van de boxen en een soort van abonnementsgeld voor het netwerk kan dan worden volstaan. Het winkelend publiek behoeft zo ten minste niet steeds op een kakofonie te worden onthaald. Of zouden de door elke onderscheiden boetiek uitgezochte platen een eigen 'identiteit' uitdragen? In het cafe aan de gracht moet de bestelling luid worden geplaatst. Het barpersoneel en de aanwezigen lijken zich niet speciaal met de luide muziek te amuseren, eerder is van berusting sprake. Dit hoort nu eenmaal zo; de geroutineerde cafebezoeker bedient zich al van een aangepaste conversatietechniek. Buiten op het terras trotseren enkelen de gure najaarswind, maar het is er in elk geval rustiger. Althans, voor even. Twintig meter verderop zet een in overall gestoken man een stofkap op en begint zijn woonboot met een schuurmachine te behandelen. Een doordringend gesnerp overstemt het caferumoer. Maar dan passeert een auto, uitgerust met een geluidsinstallatie die in staat blijkt alle andere geluid te verdringen. Je ziet ze wel vaker, die mobiele disco's, waarvan de bestuurders veelal stoicijns voor zich uit staren kennelijk minder geinteresseerd in de klanken die ze voortbrengen dan in het bekijks dat ze trekken.

Dan worden de aanwezigen op het terras een van verre opklinkend gejoel en getier gewaar. Een klein, mollig meisje staat op en tuurt de gracht af. 'Foeten!' brengt zij verslag uit aan haar tafelgenoten, die ogenblikkelijk op de stoelen gaan staan. In de gracht doemt nu een sleepboot op, een dekschuit voorttrekkend die is voorzien van een dertigtal schreeuwende jongens in blazer, triomfantelijk gegroepeerd rond een bierpomp. Het bier is er niet alleen voor de opvarenden; ze gooien de inhoud van hun glas, onder het roepen van verwensingen en het maken van obscene gebaren, naar voorbijgangers en terrasbezoekers. De gangmaker van het stel haalt een langszij hangende emmer omhoog en geeft tot groot plezier van zijn makkers de man met het schuurapparaat de volle laag.

Niet veel later passeert een ander opmerkelijk convooi nu uit de tegenovergestelde richting het terras. Naar schatting vijftien jongemannen in helblauwe truien voeren een met vlaggetjes opgetuigd karretje met zich mee, waarop een manshoog chocomelblik staat. 'Ik ben een Andre Poepie', staat aan de zijkant te lezen. Als ze naderbij zijn gekomen, zie ik dat uit de bovenkant van het blik een hoofd en uit de zijkant twee armen steken: een moderne variant op de schandpaal. De aard van deze stoet blijkt uit de lege blikjes die met touwtjes aan het karretje zijn vastgemaakt en uit de tekst aan de achterzijde: 'Not yet married.'

Vier man hijsen het blik met de menselijke inhoud op een cafestoel, waarna het bier kan worden aangerukt.

Het fenomeen van de Bachelor's Party en de Lady's Night manifesteerde zich de afgelopen jaren al in toenemende mate 'ludiek' uitgedoste groepen jonge vrouwen en mannen, die jolig van kroeg naar kroeg trekken om de laatste 'vrije' dag van hun leven kracht bij te zetten. Het unieke karakter van deze 'vrijgezellenavond'-viering schuilt vooral in de combinatie van de traditionele carnavaleske stoet en het volgens de beste corpstradities vernederen van de kandidaat. 'Hij zal het wel warm hebben', richt ik me voorzichtig tot een van de blauwe truien, als het feestvarken ondanks zijn benarde positie van een consumptie verstoken blijft. 'Ach, hij heeft al genoeg water over zich heen gehad', antwoordde de jongen grinnikend. Het gezelschap heft een drinklied aan.

Weerzin is blijkbaar een gerecht dat men dezer dagen zowel op luidruchtige als natte wijze krijgt opgediend.

    • Tom Rooduijn