Het Westen is verplicht de oppositie in Afrika te steunen

In het post-koloniale Afrika wordt het politieke leven gedomineerd door de een-partij-staat of het militaire regime. De democratisering in Oost-Europa lijkt onomkeerbaar, in Latijns Amerika zijn alom min of meer vrije verkiezingen gehouden en zelfs het massieve apartheidsbolwerk wankelt. Afrika wordt steeds meer een uitzondering en de verleiding is groot de stagnatie en armoede op dit continent daar ook uit te verklaren. Redacteur Eppink doet dat uitvoerig in een polemisch betoog.

Zijn betoog miskent de Westerse verantwoordelijkheid. Het valt niet te ontkennen dat de koloniale erfenis en de voortdurende inmenging van supermachten in de post-koloniale periode veel hebben bijgedragen aan de problemen van Afrika. We moeten toegeven dat de steeds weer verslechterende ruilvoet, de ondraaglijke schuldenlast en de onwil van de rijke landen om de afgesproken hulpinspanning inderdaad te leveren het bewonderenswaardig maken dat Afrikaanse staten uberhaupt nog functioneren. Wij kunnen onze handen niet in onschuld wassen en de hulp simpelweg stoppen als de situatie ons niet langer bevalt. Dat betekent niet dat we voor het functioneren van het Afrikaanse leiderschap een oogje moeten dichtknijpen.

Staten hebben altijd talloze argumenten die de schending van elementaire mensenrechten moeten rechtvaardigen: wederopbouw, oorlogsdreiging, stammentegenstellingen, armoede en bedreiging van de nationale soevereiniteit dienen als even zovele excuses voor autocratisch leiderschap en politieke uitsluiting van de bevolking. Afrikaanse leiders hebben er een handje van de traditionele individuele vrijheidsrechten als typisch Westers af te schilderen, ondergeschikt aan materiele mensenrechten (basisbehoeften) en de zogenoemde collectieve rechten (recht op ontwikkeling, een schoon leefmilieu, nationale zelfbeschikking). Het aanbrengen van een dergelijke rangorde in de mensenrechten valt niet te verdedigen. Voor politieke moorden, martelingen en gevangenschap zonder proces bestaat nooit een excuus. Bovendien is nog nergens aangetoond dat de schending van het ene mensenrecht de naleving van het andere kan bevorderen. Veeleer is het omgekeerde het geval.

Geweldig potentieel

Materiele doelstellingen kunnen niet of veel moeilijker worden gerealiseerd als de ruimte voor kritische deelneming van de betrokkenen ontbreekt. Bij NOVIB merken we dagelijks welk een geweldig potentieel aan inventiviteit, kennis en werkkracht buiten de staatsapparaten in Afrika aanwezig is. Maar ook zien we hoe mensen die dit potentieel willen gebruiken, niet zelden als 'staatsgevaarlijk' worden beschouwd en in de gevangenis belanden.

Respect voor de rechten van de mens is een voorwaarde om het potentieel van deze niet-gouvernementele partners in te zetten in het ontwikkelingsproces. Het mensenrechtenbeleid moet dan ook niet alleen uit respectabele morele overwegingen worden gevoerd. Zo is het in de ontwikkelingssamenwerking ook uit zakelijke overwegingen noodzakelijk dat Nederland bij de keuze van programmalanden, de steun aan regio's en de uitvoering van sectorprogramma's de mensenrechten zwaar laat meewegen. Hoe respectabel een verzoenende houding soms ook lijkt je wilt de dialoog openhouden of de ontspanning niet frustreren of de armsten niet de dupe laten worden , op termijn werkt het steeds als ondersteuning van de onderdrukker en ten nadele van de nagestreefde ontwikkeling.

Het gaat daarbij niet zozeer om het straffen of belonen van regeringen, zoals Eppink suggereert, maar vooral ook om de ondersteuning van noodzakelijke tegenmacht. Dat betekent steun aan mensenrechtenorganisaties, maar ook aan boerenbewegingen, vakbonden, milieu-organisaties en vrouwengroepen die in ontwikkelingslanden voor 'bewegingsvrijheid' strijden.

In het algemeen is het Nederlandse mensenrechtenbeleid te reactief. Dat leidt niet zelden tot op zichzelf te waarderen, maar beperkte gebaren of het moeilijk uit te leggen meten met meer maten.

Hieraan valt te ontkomen door meer de nadruk te leggen op de preventie. Dat betekent: steun aan basisgroepen, maar ook hulp aan staten bij de verbetering en democratisering van hun juridische apparaat. Het betekent ook dat Nederland zich actief inzet bij de versterking van het internationale mensenrechtenbouwwerk, dat ondanks een fundering van veelomvattende mensenrechtenverdragen nog steeds in de steigers staat.

Ook bij Afrikaanse leiders neemt het bewustzijn voor de mensenrechten toe, met vallen en opstaan. In het Arusha African Charter werd begin dit jaar met nadruk het belang van politieke hervormingen genoemd als een voorwaarde voor participatie van de bevolking in het ontwikkelingsproces. Ook de Organisatie van Afrikaanse Eenheid gaf er deze zomer blijk van deze hervormingen noodzakelijk te achten. In een aantal landen zijn vrije verkiezingen in voorbereiding.

Dat is nieuw en hoopgevend. Laten we hopen dat de nieuwe Pronk-nota over ontwikkelingssamenwerking in de jaren negentig hier alert op inspeelt. Van Westerse donoren mag worden gevraagd dat ze, als er van werkelijke politieke en sociale vernieuwing sprake is, ook hun deel van de schuld aan de onderontwikkeling in Afrika voldoen.

    • Max van den Berg