Britse couleur locale bij welsprekend RPhO

De grootste fout die een gastdirigent tegenover een orkest kan begaan is een toespraak houden waarin standpunten over de te realiseren interpretaties verbaal worden toegelicht. Een orkest wil geen betoog aanhoren, het wil reageren op de lichaamstaal van de dirigent, die, als het goed is, veel subtieler dan woorden zijn bedoelingen overbrengt. Het geheim van een goede gestiek is, dat elke beweging haar niet mis te verstane functie heeft, dat niemand hoeft te twijfelen over het waarom en dat iedereen beseft wanneer het gaat om tempo, inzetten, interpretatie-aanwijzingen, of om alle drie tegelijk.

Jac van Steen, sinds een jaar dirigent van het Nationale Ballet en dit weekeinde voor het eerst te gast bij het RPhO, bezit zulk een welsprekende lichaamstaal. Zijn gebaar kent ook vele differentaties. Een gezonde musiceerdrift ligt daaraan ten grondslag, terwijl gedegen partituurkennis en een natuurlijk overwicht de rest doen. Jac van Steen zou anders bij zijn Rotterdams debuut gemakkelijk hebben kunnen struikelen, want het Engelse programma waarmee het orkest het concertseizoen opende, bood voetangels en klemmen te over. Het leek alsof de musici in een genereus gebaar jegens het eigen publiek een handvol souvenirs aanboden, meegebracht uit het land waar zij zojuist een concerttournee hadden beeindigd. Souvenirs moeten mooi zijn, maar ook een waarneembare couleur locale bezitten. In composities vertaald: zij moeten voor een belangrijk deel illustratief zijn. De Ouverture Cockaigne van Elgar beschrijft Londen, Arnold Bax' Tintagel de Ierse zee en oude Keltische legenden, terwijl Orkney Wedding with Sunrise van Maxwell Davis, compleet met doedelzakspelers in traditioneel kostuum, een bruiloft op het eiland Hoy verklankt. Behalve op alerte virtuositeit van de spelers kwam het in deze werken heel sterk op de fantasie van de dirigent aan. Elgars tempowisselingen deden van de eerste minuten af aan een dwingend beroep op Van Steens begrip en vakmanschap. Bax' zee-evocatie is misschien overzichtelijker maar het bruiloftsfeest in Orkney, dat Maxwell Davis hoorbaar uit de hand laat lopen, vereist van dirigent en musici het summum aan waakzaamheid. Bij dit alles voegden zich uitstekend het virtuoze Capriccio Burlesco van Walton en Brittens beroemde Purcell-variaties The Young Persons Guide to the Orchestra. Vaughan Williams' romance voor violen en orkest The Lark Ascending was eigenlijk compositorisch de zwakste stee in het geheel. De definitie van Eduard Hanslick dat muziek tohnend bewegte Form is, wordt door de illustratie van dit fladderende en zingende vogeltje min of meer geweld aangedaan. Maar het stuk klinkt goed en de dankbare vioolpartij werd door concertmeester Kees Hulsmann zoet gevooisd vertolkt. Het bij name noemen van zijn collega Gerard Hettema voor zijn sublieme aandeel in Davis moge plaatsvervangend zijn voor alle orkestrale solisten in dit veeleisende programma.