Afvalverwerker WMI beticht van 'smerige zaakjes'; WMI heeftin tien jaar 43 miljoen dollar aan boetes moeten betalen

CHICAGO, 10 sept. Het Amerikaanse Waste Management Inc. (WMI) is met een omzet van 4,5 miljard dollar per jaar 's werelds grootste afvalverwerker. Maar volgens Greenpeace behoort WMI ook tot 's werelds grootste vervuilers. De milieu-organisatie Greenpeace bracht een rapport uit met een titel die niets aan duidelijkheid te wensen overlaat: 'Waste Management Inc; een encyclopedie van milieumisdaden en andere misdrijven'. In het nog slechts voorlopige rapport de definitieve versie wordt eind dit jaar verwacht wordt WMI beschuldigd van alles wat vies en voos is. Niet alleen is bijna elke milieuwet in de Verenigde Staten en dat zijn er nogal wat overtreden. Bovendien zou het bedrijf zich schuldig hebben gemaakt aan illegale prijsafspraken en zou het niet hebben geschroomd om concurrenten met onoirbare middelen, waaronder dreigen met het aanmeten van een paar 'cementen schoenen', uit de markt te drukken.

Het rapport komt juist op een moment dat WMI dat in Nederland een marktaandeel van twintig procent in de afvalverwerking heeft een groep Nederlandse journalisten ontvangt voor een rondleding door het bedrijf. Het rapport is hard aangekomen bij WMI, maar juridische tegenmaatregelen zitten er niet in. 'Ten eerste', zo zegt Hal Gershowitz, de senior vice president van WMI, 'moeten we dan bewijzen dat we schade hebben geleden door hun valse beschuldigingen. Als je twintig procent per jaar in omzet groeit, valt dat moeilijk hard te maken. Ten tweede', zo vervolgt hij, 'moeten we bewijzen dat er kwade opzet in het spel is, waarbij Greenpeace zich altijd kan beroepen op onwetendheid.' Plotseling legt Steve Burgerson, algemeen adviseur van de Waste Management Inc. zijn hand op de arm van Gershowitz. 'Hal', zegt hij tegen hem, 'we hoeven Greenpeace niet via de pers te laten weten hoever ze kunnen gaan met ons zwart maken.' Charles Cray, mede-opsteller van het rapport van Greenpeace Amerika, beschouwt WMI als een van de grootste vervuilers van de Verenigde Staten. Door het aanleggen van steeds weer nieuwe stortplaatsen en het openen van steeds weer nieuwe verbrandingsovens, blokkeert het bedrijf de ontwikkeling van preventie en hergebruik van afval, meent Cray. Waste Management, Inc. ontstond in 1968 uit een fusie van enkele afvalophalers. In de ruim twintig jaar van zijn bestaan is WMI het grootste bedrijf in zijn branche ter wereld geworden. De omzet in 1989 bedroeg bijna 4,5 miljard dollar. In 1980 was die omzet nog net iets boven de zeshonderd miljoen dollar. De winst voor belastingen liep op van een kleine zestig miljoen in 1980 tot 850 miljoen gulden in het afgelopen jaar. De snelle groei is voor een belangrijk deel te danken aan overnemingen. Eind vorige week nog kondigde WMI de overname aan van Wheelabrator Technologies Inc., een bedrijf dat met twintig installaties voor de verbranding van afval het grootste in zijn soort in de VS is. WMI en vooral de oprichter en bestuursvoozitter Dean L. Buntrock heeft als een van de eersten begrepen dat afval en afvalverwerking big business zijn geworden, waarvoor veel kapitaal en veel technologie zijn vereist. Bij het bedrijf werken ruim 40.000 mensen verdeeld over meer dan 500 ondernemingen.

WMI is internationaal actief via dochter Waste Management International. In 1978 is de onderneming begonnen met het ophalen van afval en het vegen van de straten in Saoedi Arabie, maar tegenwoordig worden de activiteiten over vele landen gespreid. Europa is een van de speerpunten voor de expansie van WMI. De omzet hier is ongeveer 750 miljoen dollar per jaar. In Nederland heeft WMI eind vorig jaar het Amsterdamse afvalbedrijf Icova opgekocht. Eerder al had Waste Management een aandeel van 70 procent verworven in de Afval Terminal Moerdijk (ATM). Ten slotte is het bedrijf eigenaar van het Rotterdamse bedrijf Ocean Combustion Services dat met het schip de Vulcanus nog tot eind dit jaar chemisch afval op zee verbrandt. Greenpeace Amerika beschuldigt WMI in zijn rapport in meer dan een opzicht van 'dirty business'.

Hal Gershowitz vermoedt dat het Greenpeace-rapport vooral voortkomt uit ideologische overwegingen van de organisatie. 'Greenpeace vindt dat afval niet gestort of verbrand mag worden, maar dat we moeten voorkomen dat afval ontstaat. Omdat er helaas nog steeds zeer veel afval wordt geproduceerd richt men nu zijn pijlen op de grootste afvalverwerker in de VS.' Niettemin geeft Gershowitz toe dat de beschuldigingen die in het rapport staan niet allemaal onjuist zijn. Veel van de misstappen die Greenpeace opsomt, zijn echter begaan voordat de betreffende firma's deel uitmaakten van de WMI-familie. Zo zouden die dochterbedrijven in Florida, Californie en Ohio in strijd met de anti-kartelbepalingen hebben gehandeld voordat ze werden opgekocht door WMI. In een aantal andere gevallen gaat het om activiteiten van individuele employe's die ingaan tegen het beleid van de onderneming. Een recent voorbeeld daarvan is de verbrandingsinstallatie voor chemisch afval van het bedrijf in Chicago. Daar zijn in 1988 en daarvoor regelmatig de meetinstrumenten uitgeschakeld die de samenstelling moeten meten van het gas dat uit de schoorsteen komt. Voor die overtreding staat het bedrijf een forse boete te wachten. Volgens Bill Brown, directeur Milieuzaken van WMI ging het echter om een individuele actie van twee medewerkers.

Toen de interne milieucontroledienst van het bedrijf de praktijken van die medewerkers constateerde, heeft men er zelf melding van gemaakt bij de autoriteiten. De mensen die ervoor verantwoordelijk waren, zijn inmiddels ontslagen. Brown: 'Dat werpt toch wel een iets ander licht op de affaire dan in het rapport van Greenpeace wordt gesuggereerd.'

In het Greenpeace-rapport staat dat WMI in de afgelopen tien jaar een totaalbedrag van 43 miljoen dollar aan boetes heeft moeten betalen, alleen al voor overtredingen van milieuwetten. 'Schromelijk overdreven', oordeelt Steve Burgerson, de juridische man in de bedrijfstop. Hij zegt dat het niet ongebruikelijk is dat bij een veroordeling ook wordt vermeld welke investeringen het bedrijf zal doen om herhaling van de vervuiling te voorkomen. De bedragen die daarmee zijn gemoeid, worden door Greenpeace opgeteld bij de feitelijke boetes. Gevraagd hoe hoog het feitelijke bedrag aan boetes is, aarzelt Burgerson even en noemt vervolgens een bedrag van 16 miljoen dollar over de laatste tien jaar. Twaalf miljoen daarvan zijn terug te voeren op een geval in Vickory (Ohio). Daarbij werd niet alleen illegaal chemisch afval gestort, maar werd afvalolie ook gemengd met PCB's. Volgens WMI vonden die activiteiten plaats in de tijd dat de betreffende firma nog geen deel uitmaakte van de onderneming. De resterende vier miljoen valt deels eveneens in de categorie 'verleden' en is voor het overige terug te voeren op de aloude zegswijze dat waar gehakt wordt ook spaanders vallen.

Dat het bedrijf systematisch milieuwetten ontduikt, politici omkoopt en op illegale wijze concurrenten uit de markt verdringt, ontkent vice-president Gershowitz nadrukkelijk. Volgens hem probeert men door training van personeel en door scherpe interne controles juist dit soort uitwassen te voorkomen. Gaat een personeelslid toch buiten zijn boekje dan volgt vrijwel altijd ontslag.

Rapporten als dat van Greenpeace zijn niet bevorderlijk voor de animo van overheden om WMI in te schakelen bij het ophalen en verwerken van afval. Zeker niet in Europa, waar Greenpeace volgens Gershowitz meer aanzien geniet dan in de Verenigde Staten. Maar hun alternatief is in zee te gaan met een groot aantal kleine kruimelaars die niet te controleren zijn. Gershowitz: 'Dan ben je als overheid en als burger toch beter af met een groot bedrijf dat beschikt over de juiste kennis, de juiste mensen en over een professionele instelling.'

Het oprichten van een overheidsbedrijf voor het ophalen en verwerken van afval zoals in Nederland wordt overwogen, lijkt hem geen goede oplossing. 'Onze ervaring in de Verenigde Staten is', zo zegt hij, 'dat de stortplaatsen en installaties van de overheid veel slechter zijn dan die van particuliere bedrijven. Overheidsbedrijven worden veel minder op de huid gezeten door controlerende instanties dan wij. Daarom kunnen ze niet tippen aan de kwaliteit die wij leveren.'

    • Joost van Kasteren