STRACHEY

Niets is zo conventioneel als een rebel. John Strachey (1901-1963) stamde uit een deftige burgerfamilie - hij was een achterneef van historicus Lytton en Freudvertaler James - bezocht Eton en Oxford, trouwde een mooi, rijk meisje en ging in de politiek. Toen hij in 1945 werd opgenomen in het kabinet-Attlee, zullen de familieportretten goedkeurend hebben geknikt.

En toch. ' Wie haat je het meest, ' vroeg hem een oude dame toen hij in de jaren dertig uitgroeide tot een landelijk bekend schrijver van politieke brochures, ' je vader, je kostschool of je universiteit?' ' Alle drie, ' zei Strachey lachend, maar hij sprak de zuivere waarheid. Deze beminnelijke, lang niet domme of ongevoelige man werd de beste propagandist voor het communisme die Stalin zich wensen kon. Een enthousiaste optimist met een veel te vlotte pen, wiens pamfletten (met titels als Why you should be a socialist en The coming struggle for power) in enorme oplagen werden verkocht - geen wonder dat hij de drijvende kracht werd achter The Left Book Club die hij samen met uitgever Gollancz in 1936 oprichtte, en die een fenomenaal succes werd, met bijna zestigduizend leden, die tezamen vijftienhonderd lokale discussieclubs vormden. Wat zal daar een onzin zijn verkocht!Hoewel Strachey de boosaardige dubbelhartigheid van tijdgenoten en medeleerlingen als Philby volkomen miste, had zijn positie toch iets onoprechts. Het doel van de Left Book Club was hetzelfde als dat van de communistische partij en de partijlijn werd trouw gevolgd; niettemin weigerde de partij Strachey als lid te aanvaarden omdat hij immers geen echte arbeider was. Trouwens, ook de leden van de Left Book Club leden merendeels aan dat euvel. Voor miljoenen Britse arbeiders bleef het ideeengoed van Marx en Lenin een hoop buitenlandse flauwekul, goed voor moffen of fransozen, en de partij slaagde er nooit in zelfs maar half zoveel leden te krijgen als de Left Book Club.

De Tweede Wereldoorlog brak uit en de partij, gehoorzaam aan haar instructies uit Moskou, predikte afzijdigheid bij deze strijd tussen imperialisten onderling. En ziedaar: in Strachey ontwaakte de patriot. Hij brak met de communisten (niet zonder veel hartzeer en getob), nam dienst bij de RAF en werd een gevierd voorlichter. Hij was weer thuis. Toen hij in 1963 stierf, was hij een alom gerespecteerd Labour-parlementslid van de rechtervleugel en defensiespecialist. Deze kleine levensbeschrijving concentreert zich op Stracheys politieke ontwikkeling. Dat maakt het nogal droge lectuur; bovendien bewondert Newman zijn onderwerp met meer dan een vleug van diens eigen kritiekloos enthousiasme. Dat neemt niet weg dat het zin heeft ons te herinneren dat niet elke aanhanger van deze rampzalige sekte verwerd tot handlanger van de Russische geheime politie, tot vijand van zijn eigen land of tot dove en blinde functionaris. John Stracheys nagedachtenis stinkt niet, en hoeveel exkameraden kunnen hem dat nazeggen?

    • Manchester University Press 1990