'Plannen vaker controleren op milieu-effect'

DEN HAAG, 8 sept. Meer industriele activiteiten en plannen van de overheid moeten vooraf worden onderzocht op hun gevolgen voor het milieu. Dit heeft een adviescommissie die de werking van de milieu-effectrapportage (MER) heeft onderzocht, gisteren minister Alders (milieubeheer) aanbevolen.

Milieu-effectrapporten zijn sinds 1987 verplicht voor uiteenlopende projecten als rijkswegen, spoorlijnen, golfterreinen, havens, luchtvaartterreinen, militaire oefenterreinen, dijken, stortplaatsen en elektriciteitscentrales. Dergelijke plannen mogen alleen worden uitgevoerd als eerst een MER is gepubliceerd, hetgeen ook inhoudt dat een onderzoek naar milieu-vriendelijke alternatieven is gedaan.

Deze lijst moet volgens de commissie worden uitgebreid. Ook bijvoorbeeld olie- en gaswinning op land en landinrichtingsplannen moeten 'MER-plichtig' worden, vindt de commissie. Daarnaast adviseert zij de 'drempel' voor de verplichte MER te verlagen om te bereiken dat bijvoorbeeld kleinschaliger activiteiten van de chemische industrie ook vooraf moeten worden onderzocht. In de rapportages, aldus het advies, moeten ook de gevolgen worden geschetst voor het grondstoffen- en energieverbruik en wat de voorgenomen activiteit aan afval oplevert. Deze aanbeveling zal vanaf 1992 in de praktijk worden, gebracht, zo liet minister Alders in een eerste reactie weten, omdat de Wet algemene bepalingen milieuhygiene daarin voorziet.

De commissie vindt verder dat ontheffingen die soms nu nog van de MER-plicht kunnen worden verkregen, straks niet meer mogelijk moeten zijn. Zij vindt dat er een tweede lijst met 'lichtere' activiteiten moet komen, waarbij eerst een globaal onderzoek wordt gedaan of een MER nodig is.

Of de MER-verplichting in de praktijk tot een ander milieubeleid heeft geleid is volgens de plaatsvervangend-voorzitter van de adviescommissie, prof. dr. J. Bressers moeilijk aan te tonen. Maar, zei hij, dat was ook niet het eerste doel van de MER. Het ging erom dat het milieubelang in de afwegingen een volwaardige plaats zou krijgen en dat overheden die vergunningen moeten geven over volledige informatie beschikken. Als zodanig is de MER 'een redelijk functionerend instrument', stelde Bressers.

De commissie die de MER in de praktijk begeleidt, heeft de rol hiervan bij 18 projecten laten onderzoeken. Zij concludeert dat in 8 van de 14 gevallen waarover al een besluit was genomen het milieu-onderzoek duidelijk invloed heeft gehad. Maar ook zijn er besluiten genomen waarbij de MER geen of weinig invloed had, zoals de bouw van kolencentrales in Amsterdam en Geertruidenberg.