Nieuwe afspraken moeten ontvoering kind voorkomen

DEN HAAG, 8 sept. Jaarlijks komt het in Nederland enkele tientallen malen voor: een buitenlandse vader of -minder vaak- een moeder 'ontvoert' na een echtscheiding de kinderen naar zijn of haar land van herkomst. Een drama voor de betrokkenen en zeker voor de achterblijvende ouder, die soms de grootste moeite heeft de kinderen terug te krijgen. Als het tenminste ooit lukt.

Gisteren kwam er weer een zaak van internationale kinderontvoering in de publiciteit. Een 38-jarige Zweed zou zijn twee kinderen uit een eerder huwelijk met een Nederlandse hebben ontvoerd naar Zweden. Volgens de 37-jarige moeder drong de man vorig weekeinde samen met twee handlangers met geweld haar woning in Winterswijk binnen. Zij grepen de kinderen, die twee en zes jaar oud zijn, en verdwenen met hen in een gereedstaande auto. De man zou de kinderen op een geheime plek in Zweden hebben ondergebracht. De moeder, die zegt de voogdij over de kinderen te hebben, is inmiddels ook in Zweden, waar zij een uitspraak van de Zweedse rechter probeert te krijgen. De Nederlandse justitie is nog terughoudend over de zaak, omdat nog niet officieel is aangetoond bij wie de voogdij berust en stukken uit Zweden nog moeten worden vertaald.

Op de dag dat de twee kinderen verdwenen, werden in ons land, samen met een uitvoeringswet, twee internationale verdragen inzake kinderontvoering van kracht: een Europees verdrag van de Raad van Europa en een met wereldwijde strekking. In de verdragen liggen afspraken vast tussen ongeveer 25 landen. Deze verplichten zich elkaars echtscheidingsregelingen te respecteren en in geval van ontvoering van kinderen beneden 16 jaar deze zo snel mogelijk terug te bezorgen bij de ouder die het bevoegde gezag heeft. Gehoopt wordt dat potentiele ontvoerders door de nieuwe situatie worden ontmoedigd.

De verdragen verplichten de aangesloten landen een speciale, onafhankelijke instantie, de 'centrale autoriteit', op te richten die zich bezighoudt met de uitvoering van de voorschriften. De Nederlandse centrale autoriteit berust bij het ministerie van justitie en wel bij de Hoofdafdeling Staats- en Strafrecht, afdeling internationale rechtshulp. Hoofd van de afdeling is mevrouw mr. M. T. E. Ford-Claasen. In de ene week dat de instantie bestaat, zijn er al vier aanmeldingen binnengekomen. 'Deels zijn dat al oudere zaken', zegt mevrouw Ford, 'maar we verwachtten ook wel het een en ander na de vakantieperiode. Dan komt het vaak voor dat kinderen bij een ouder gaan logeren en vervolgens niet worden teruggebracht'. Het aantal kinderontvoeringen is de laatste decennia sterk gestegen. Volgens gegevens van Buitenlandse zaken worden jaarlijks ongeveer dertig gevallen aangemeld. In werkelijkheid zijn het er waarschijnlijk veel meer. 'De stijging van het aantal ontvoeringen heeft te maken met de toegenomen mobiliteit van mensen. Er worden meer huwelijken gesloten tussen personen van verschillende nationaliteiten', aldus mevrouw Ford. 'Dat leidde er bij echtscheidingen soms toe dat de ouder die niet het gezag had, of nog in een scheidingsprocedure was gewikkeld, het kind meenam naar het eigen land waar naar de daar geldende maatstaven de voogdij werd opgelegd. Dat had vaak tot gevolg dat de ontvoerder aan het langste eind trok.' Ontvoeringen vanuit Nederland gaan voor het grootste deel naar de buurlanden Belgie en West-Duitsland. Ook Spanje scoort hoog. De meeste landen in Europa hebben de verdragen ondertekend ook Zweden. In een aantal landen, waaronder Duitsland, Griekenland en Italie is men nog met de voorbereiding van een wet bezig. Spanje heeft geen aparte wetgeving gemaakt en daar werkt de instantie volgens mevrouw Ford dan ook veel te traag. 'Doel van het verdrag is binnen zes weken een rechterlijke beslissing te krijgen. In Groot-Brittannie is men al langer bezig en daar werken ze nog sneller. De centrale autoriteit krijgt er heel vlug toegang tot de rechter, die op korte termijn een beslissing neemt.' Moeilijker is het als kinderen verdwijnen naar landen die zich niet bij de verdragen hebben aangesloten. Dat geldt voor de Afrikaanse landen, met uitzondering van Belize, en voor de islamitische wereld. 'In landen als Turkije of Marokko wordt grote waarde gehecht aan het eigen familierecht, dat er grote waarde aan hecht dat het kind bij de vader blijft.'

In die landen blijft bemiddeling via de consulaten de aangewezen weg.

Tot 1 september bemoeide het ministerie van buitenlandse zaken zich met kinderontvoeringen. Dat gebeurde door middel van diplomatie, omdat er nog geen wettelijke basis was om de ontvoerders aan te pakken. De centrale autoriteit is, aldus mevrouw Ford, bij Justitie ondergebracht, omdat het probleem meer in de justitiele sfeer ligt. Gedupeerde ouders worden gratis geholpen. Ze moeten er wel snel bij zijn. Anders is de kans groot dat de buitenlandse rechter oordeelt dat het kind inmiddels aan de nieuwe situatie is gewend en beter kan blijven waar het is.

De centrale autoriteit is in de eerste plaats een organisatorische instantie, vertelt mevrouw Ford. 'Wij vragen Interpol om opsporing, als niet bekend is waar het kind verblijft. Wanneer het kind gevonden is, wordt de centrale autoriteit van het desbetreffende land gevraagd te bemiddelen. Als de ontvoerder het kind niet vrijwillig wil afstaan, wordt de rechter ingeschakeld en wordt zo nodig eerst nog een voorlopige maatregel opgelegd, bijvoorbeeld onder toezichtstelling van de kinderbescherming aldaar. De verdragen zijn niet op het strafrecht gericht, maar op bemiddeling. Het is niet goed voor een kind als de consequentie van zo'n zaak is, dat vader of moeder achter de tralies komt.'