Knokken in de stalling

Alsof een kwartier verstreken is en niet ruim twee maanden zet mr. H. M. J. I. Steenbergen, vice-president aan het Amsterdamse gerechtshof, de strafzaak voort tegen de uit Schotland afkomstige lasser Gordon E. Zonder veel omwegen opent Steenbergen de zitting: ' Het Hof gaat nu over tot het horen van de getuigen.'

Het niet komen opdagen van deze getuigen was de reden voor de schorsing van de behandeling van deze rechtszaak op 26 juni. Nu twee van de drie opgeroepen getuigen wel aanwezig zijn kan de zitting verder gaan.

De verdachte, een slanke jongeman met donker haar en groene ogen, zit in het verdachtenbankje, voortdurend toegefluisterd door zijn in een vleeskleurig mantelpakje gestoken tolk, mevrouw A. Moens.

Het verifieren van de identiteit van de verdachte door de president, het uitspreken van de cautie (waarin de rechter de verdachte expliciet meedeelt dat hij niet tot antwoorden verplicht is en hem aanspoort goed op te letten), het voordragen van de telastelegging door de procureur-generaal, en het memoreren van de feiten door de president - vaste elementen van iedere strafzitting - al deze zaken zijn al gebeurd in juni zodat de zitting vanmiddag een vliegende start krijgt. Gordon E., zo blijkt gaandeweg, is op de avond van 3 december 1987 omstreeks tien uur in een knokpartij gewikkeld geraakt bij de fietsenstalling van het station Muiderpoort in Amsterdam. Zelf liep hij daarbij twee blauwe ogen en een gezwollen bovenlip op, drie anderen hadden verwondingen varierend van een gebroken neus en een gebroken vinger tot een gescheurd ooglid en pijnlijke plekken. E. wordt door justitie beschouwd als de agressor.' Doe maar de belofte, ' zegt de eerste getuige als Steenbergen hem aan het begin van zijn verhoor voor de keus stelt tussen de eed (' Zo waarlijk helpe mij God Almachtig') of de belofte (' Dat beloof ik'). In beide gevallen zijn getuigen verplicht ' de waarheid en niets dan de waarheid' te spreken. In deze zaak blijkt weer eens de relatieve waarde die toegekend moet worden aan het geheugen van getuigen, zeker wanneer zoals nu enige jaren verstreken zijn sinds de gebeurtenissen. Rijwielbewaarder P. de Nat, de eerste getuige, moet herhaaldelijk toegeven dat hij de exacte gang van zaken niet meer weet. De tweede, de econoom P. Dreven, herkent Gordon E. in het geheel niet als degene met wie hij drie jaar geleden slaags raakte.

('Die heer zag er veel verfomfaaider uit.')Desalniettemin vindt het verhoor plaats. ' Hoe is het gegaan?' vraagt Steenbergen aan De Nat nadat hij eerst getuige Dreven verzocht heeft de zaal te verlaten. ' Nou, de dag ervoor was hij ook al zijn fiets komen halen. Ik vroeg hem of hij zijn fiets zelf even wilde pakken. Hij begon meteen te schelden en te tieren. Ik heb toen, geloof ik, zoiets gezegd als 'Man, donder op'. De volgende dag kwam hij dus verhaal halen... ' Steenbergen onderbreekt de getuige: ' Dat kunt u niet weten. Wilt u alleen weergeven wat u gezien heeft?' Zijn ronde gezicht onder het witte haar loopt langzaam rood aan, zoals altijd in de loop van een zitting.' In ieder geval was hij er de volgende avond weer. Nu ging-ie meteen al aan het schelden en tieren. Ik dacht: laat maar gaan, want ik rook dat hij gedronken had. Maar toen gaf hij me vrij plotseling een kopstoot, waarbij hij mijn neus brak.' Steenbergen wil weten hoe dat precies in zijn werk ging en De Nat maakt koppende bewegingen in de richting van het edelgrootachtbaar college. Gordon E. schudt misprijzend zijn hoofd.

De Nat vertelt verder dat hij na de kopstoot te duizelig was om nog iets te doen en hoe de Schot de andere rijwielbewaarder aanviel. Vervolgens kwam Dreven de stalling binnen. ' Meneer Dreven is een vaste klant. Hij vroeg wat er aan de hand was. Toen heeft hij hem mee naar buiten genomen en een pak slaag gegeven. Ik heb de politie gebeld en die was er na vijf minuten. Achteraf bleek ik ook nog een vinger gebroken te hebben.' Steenbergen leest in het proces verbaal van de politie. ' In uw eerdere verklaring is sprake van twee keer een kopstoot. Maar van die vinger vindt ik niets terug.' ' Nou, ik denk dat... '

begint De Nat.' Nee: weet u het of weet u het niet, ' zegt Steenbergen kortaf.' Ik weet niet meer zeker hoe het gegaan is maar wel dat hij het gedaan heeft.' Na Steenbergen willen bijna alle andere deelnemers aan het proces de getuige aan de tand voelen. Raadsheer mevrouw mr. A. Rutten-Roos wil weten of De Nat zelf geslagen of gescholden heeft. De procureur-generaal, mevrouw mr. M. Koers-Van der Linden, vraagt of de getuige ' ervaring heeft met agressieve klanten'.

En de advocaat van de verdachte, mr. N. C. J. Meijering, vraagt gretig: ' Hoorde ik u zeggen dat meneer Dreven mijn client een pak slaag gaf?' Getuige Dreven is licht geirriteerd als het zijn beurt is. Gevraagd naar zijn beroep antwoordt hij: ' Ik ben econoom.' ' Is dat een beroep?' vraagt Steenbergen.

Dreven, bits: ' Econoom is een beroep. Een functie is wat anders.' Hij vertelt dat hij meteen merkte dat er iets gaande was toen hij de stalling binnenkwam. Nadat hij zijn fiets had weggezet, zag hij dat de twee beheerders met bebloede koppen bij elkaar stonden en dat ' een heer in een zwart hells-angels jack, met een boksbeugel aan zijn vuist' hen bedreigde.' Ik vond dat ik hem tot de orde moest roepen.' ' Wat houdt dat in, ' wil van Steenbergen weten.' Hij moest uitleggen wat er gebeurd was. Maar toen ik hem aansprak kwam hij in gevechtshouding op mij toe. Toen zijn we naar buiten gegaan en daar vond het exchange program plaats.' ' Wat bedoelt u daarmee?' ' Hij sloeg, ik sloeg terug.' Op het verdachtenbankje worstelt de tolk met het woord 'boksbeugel'. Tot de verdachte het zelf voor haar vertaalt. ' It's a knuckleduster.'

(Na afloop van de zitting zegt hij: ' Als ik echt een boksbeugel had gehad, zouden die kerels er niet meer geweest zijn'.) Ook bij het vertalen van het Engels naar het Nederlands heeft de tolk problemen. Wanneer Gordon E. bijvoorbeeld tot de procureur-generaal spreekt over het verwonden (to injure) van de rijwielbewaarder, maakt de tolk ervan dat hij de rijwielbewaarder ' boos maakte'.

Daar staat tegenover dat zij in haar vertalingen sterk meeleeft met haar client. In het zinnetje: ' Ik heb alles al verklaard, wat wilt u dat ik nog zeg?', legt zij de dik aangezette verontwaardiging van een hoorspel.

Overigens vormde het ontbreken van een tolk bij het eerste verhoor van Gordon E. door de politie aanleiding voor de politierechter om het Openbaar Ministerie niet ontvankelijk te verklaren. Het gerechtshof bepaalde echter in een tussenvonnis na de zitting in juni dat de verklaring van de verdachte kennelijk naar waarheid was opgemaakt en verwierp het verweer van advocaat Meijering.

Het getuigenverhoor is beeindigd. Procureur-generaal Koers-Van der Linden requireert, raadsman Meijering houdt zijn pleidooi en het Hof houdt slechts met moeite de ogen open. Althans: aan mevrouw Rutten-Roos is niet veel te merken, maar raadsheer mr. F. W. J. den Ottolander en Steenbergen hebben te kampen met scheef zakkende hoofden en luikende oogleden.

Mevrouw Koers-Van der Linden memoreert dat in eerste aanleg zes weken voorwaardelijke gevangenisstraf en duizend gulden boete is geeist. Zelf, zegt ze, vindt ze een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op haar plaats. ' Maar omdat dit appel is ingesteld wegens een juridische kwestie zal ik volstaan met een zelfde eis.'

Het is een gebruikelijk trucje van het Openbaar Ministerie waarmee geprobeerd wordt verdachten extra te intimideren.

Meijering wijst op de tegenstrijdigheden in de verhalen van de getuigen onderling waardoor het rechtscollege volgens hem nooit kan komen tot de wettelijk voorgeschreven overtuiging van schuld nodig voor een vonnis. In zijn laatste woord zegt de verdachte dat hij, als hij ons rechtssysteem beter gekend had, direct een klacht had ingediend tegen zijn zogenaamde slachtoffers. ' Ik heb nooit ontkend dat ik heb geslagen. Alleen: het was zelfverdediging. De procureur-generaal vindt misschien dat ik te hard geslagen heb, maar ik heb zo hard geslagen als ik dacht dat nodig was.'

(Uitspraak 18 september)De namen van de getuigen zijn gewijzigd