Interim-directeur Fischer over Amsterdams Historisch Museumen de houding van de gemeente; 'Museumstaf moet roofbouw op zichzelfplegen'

'De gemeente doet niet weinig, maar met een budgetverhoging van vier procent 500.000 gulden kun je echt iets fantastisch doen met het Amsterdams Historisch Museum'.

Dat is in een notedop de belangrijkste conclusie die Dr. E. J. Fischer trekt, na bijna een jaar als interimdirecteur van het museum gefunctioneerd te hebben.

Als hij op 1 november vertrekt, is er nog geen opvolger gevonden. 'Dat is eigenlijk het enige dat ik de gemeente verwijt, ze hadden al in februari met een nieuwe sollicitatieprocedure kunnen beginnen', zegt Fischer. Nu zal het nog weer enkele maanden duren voor adjunct-directeur Carry van Lakerveld haar taak als manager kan neerleggen, die ze na het ontijdige vertrek van Drs. U. E. E. Vroom in 1988 naast haar inhoudelijke werk vervulde.

Een profielschets voor een directeur is gemaakt en een selectiecommissie samengesteld. Volgens Fischer hoeft het nieuwe hoofd niet per se uit de museumwereld te komen, als hij of zij maar affiniteit heeft met de culturele sector. 'Een manager uit het archiefwezen bijvoorbeeld. Het museale gedeelte doet de staf al uitstekend'. Bij zijn aanstelling verleden jaar nodig omdat de benoemingsprocedure voor een nieuwe directeur mislukt was kreeg Fischer onder meer als opdracht organisatie, financien, personeelsbeleid en huisvesting van het Amsterdams Historisch te analyseren. Daarbij moest hij de doelstellingen betrekken en de plaats die het museum, met zijn sterke en zwakke punten, in Amsterdam inneemt. De daaruit resulterende beleidsnota is door B en W geaccepteerd en wordt op 12 september door de raadscommissie voor kunstzaken besproken.

Getrouwheid

Fischer: 'Ik heb het hier erg naar mijn zin gehad, maar op het Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis (IISG; hij is daar directeur IR) ben ik beter op mijn plaats'.

Geen museummens dus, maar over dit museum is hij zeer te spreken. 'Een van de mooiste musea, met een sterke educatieve en inhoudelijke staf'.

Dat het ondanks de enorme bezuinigingen van enkele jaren geleden en de problemen rond en na het vertrek van Vroom zo goed heeft gelopen, ligt 'in de getrouwdheid van de mensen met het bedrijf. Met minder geld en mensen wilden ze het toch even goed doen. Daarmee hebben ze roofbouw op zichzelf gepleegd'.

De gemeente wil hij dat niet verwijten. 'Ik respecteer hun houding zeer maar de staf had ook kunnen zeggen: twintig procent minder geld, dan doen wij ook minder'. Het museum moet nu rondkomen met een budget van 12 miljoen gulden, waarvan 10 miljoen opgaat aan personele kosten (er werken voor hele of halve tijd 160 mensen het merendeel bewaking). Twee miljoen blijft over voor de materiele zaken: gas, electra, onroerend goedbelasting, klimatisering van de depots, etc. 'Voor het inrichten van de zes a acht tijdelijke tentoonstellingen per jaar, waaronder vaak heel bewerkelijke, blijft 250.000 gulden over. Dat is bijzonder weinig. Het is alsof de gemeente zegt: hier heb je de fabriek, zorg zelf maar voor de grond- en hulpstoffen', zegt Fischer. Gelukkig krijgt het museum veel 'free publicity', want met de beschikbare 35.000 gulden kun je haast niets doen. Geen advertenties, geen posters op Schiphol of andere manieren om meer publiek te trekken.

Voorbereiding

Grote tentoonstellingen zoals over homoseksualiteit in Nederland of de plaats van de immigranten in vroeger tijden, kosten twee, soms drie jaar voorbereiding. Fischer: 'De ellende is dat er geen cent is op het moment dat je tot een tentoonstelling besluit. Experts uit het buitenland, vormgevers, lenen van buiten alles moet je tot het laatste ogenblik uitstellen. Tot in een zeer laat stadium weet je niet of een expositie door kan gaan.' Momenteel wordt een 'razend dure' tentoonstelling voorbereid. Kunstkamers en rariteitenkabinetten van rijke Amsterdammers uit de 16de en 17de eeuw, soms in zijn geheel naar het buitenland verdwenen, moeten in 1992 hier weer te zien zijn. Er worden sponsors gezocht en Fischer denkt dat er 30.000 bezoekers meer voor zullen komen. Het museum trekt per jaar 500.000 bezoekers; 300.000 lopen gratis door de binnengalerij, de rest betaalt entree. Volgens Fischer kunnen dat er met uitzonderlijke tijdelijke tentoonstellingen ('klappers') 50.000 per jaar meer worden, ofwel 250.000 gulden meer aan inkomsten. 'Als de gemeente nu besluit het budget vijf jaar lang te verhogen met 500.000 gulden, kan het museum bewijzen dat het op eigen benen kan staan'. Het is een cirkelredenering: om klappers met meer publiek en dus meer geld in kas mogelijk te maken, zijn nu de middelen nodig, 'al was het maar dat de staf niet alles zelf hoeft te doen, maar ook eens iets kan uitbesteden'. Als het bedrijfsleven over een aantal jaren eveneens een kwart miljoen gaat bijdragen, hoeft de gemeente alleen nog maar de basissubsidie te geven. Fischer heeft onlangs aan een aantal 'captains of industry' advies gevraagd over de manier waarop het museum voor hen aantrekkelijk zou kunnen worden. 'We kunnen hun naam op een logo zetten, of een diner in de Regentenkamer verzorgen'.

De staf heeft daar geen problemen mee. 'Ze zijn nooit Roomser dan de paus geweest en sponsoring is geen vloek meer', zegt Fischer.

De organisatie van het museum kan volgens de interimdirecteur 'iets efficienter'. Er moet een klein aantal functioneel samenhangende afdelingen ontstaan, waarvan de taken en verantwoordelijkheden duidelijk zijn.

Gaat Fischer met spijt weg op 1 november? 'Nee hoor. Een jaar is lang voor een interimmanager. Het is niet negatief bedoeld voor het museum, maar het werk op het IISG vind ik spannender'.