Imperiaal zandhappersspel

The foreigner entered the land of the Arabs, and Western colonialism divided and established weak states ruled by families that offered him services to facilitate his mission. (Saddam Hussein)Al in zijn eerste politieke leven (voordat hij het premiersambt met het geschiedschrijverschap combineerde) domineerde Winston Churchill elk politiek gezelschap met zijn onovertroffen historische wetenschap van het wereldtoneel. Maar zijn antropologische kennis van het Midden-Oosten waarmee hij na de Eerste Wereldoorlog als minister met de dubbele portefeuille van War en Air te maken kreeg, was aan de magere kant. Voor de gecompliceerde sociale en religieuze structuren van de islam had hij in het geheel geen belangstelling, het Arabisch nationalisme zag hij als een Oosterse variant van de Sinn Fein en de Arabieren schoor hij in blind cynisme over een kam die beschouwde hij als struikrovers die slechts door Engels onderwijs tot beschaving konden worden gebracht, al moesten ze daarvoor bij hun haren uit het zand worden getrokken.

Op ambtelijk niveau was het gelukkig voor Engeland beter gesteld met de kennis van de Arabische wereld. De meeste ambtenaren die uit Londen naar het Midden-Oosten werden gestuurd om de buit van het ingestorte Turkse Rijk voor Engeland in de wacht te slepen (en Frankrijk genereus met de kruimels te bedelen) waren deskundigen die wat fijner besnaard waren dan Churchill en in de meeste gevallen als arabist waren afgestudeerd. Ze sympathiseerden, zij het niet allemaal in dezelfde mate, met het opkomende politieke bewustzijn van de Arabieren en ontwikkelden ter plaatse een subtiele verstandhouding met de inheemse politiek, die gedurende de vier jaren van de Engelse bezetting van Mesopotamie/Irak (1918-'21) een zekere respectabele morele dimensie aan de strategische Engelse belangenpolitiek gaf. Behalve de legendarische T. E. Lawrence, de pro-Arabische auteur van de Seven Pillars of Wisdom, die uiteindelijk de Engelse belangen toch het zwaarst liet wegen, detacheerde Whitehall in de Engelse protectoraten in de Arabische woestijn nog een aantal kleurrijke persoonlijkheden met een even sterke pro-Arabische gezindheid, ook al verborgen die vrijwel allemaal onder hun jellaba een nog sterkere sympathie voor het zionisme. A. N. Wilson, de wegbereider van de Engelse dubbele bodempolitiek die Palestina zowel aan de joden als aan de Arabieren beloofde, Gertrude Bell, sir Mark Sykes, sir Percy Cox, Harry St. John Philby (de vader van de naar 'Moskou' overgelopen, voor de KGB gevallen journalist Kim Philby), 'Lawrence of Arabia', ze waren allemaal voorstanders van de politieke emancipatie van de Arabieren. De een was paternalistischer dan de ander en met de linker hand werd weleens iets teruggenomen dat met de rechter was gegeven, maar zonder uitzondering hingen ze de overtuiging aan dat het hun morele taak was 'to create an Arab civilisation and an Arab state in Mesopotamia'. Eigenlijk stond die opvatting niet eens zo heel ver van het officiele beleid van Londen, maar daar was altijd wel een bewindsman die als een olifant door de porseleinkast liep en de Arabieren eraan herinnerde dat Engeland voor de vooruitgang was zolang Engeland er maar geen nadeel van ondervond in beleid vertaald als: 'Do good to the Arabs, even against their will'.

Dat het beleid van het hoofdkantoor c.q. Churchill in werkelijkheid nogal prozaisch was en hoofdzakelijk door kosten- en batenoverwegingen werd bepaald, doet aan de vooruitstrevendheid van het Engelse koloniale beleid in het Midden- Oosten niets af. Die progressiviteit was ten dele zeker ook gemotiveerd door Engels eigenbelang, maar ze steunde onmiskenbaar op ethische denkbeelden die na 1918 aan de universiteiten van Oxford en Cambridge omhoog kwamen, dezelfde die in die tijd uit linkse ethische kringen in Nederland op het koloniale beleid in Nederlands-Indie begonnen in te werken.

Tussen de ethische richting en Churchill bestond in zoverre overeenkomst dat ze allebei een eind wilden maken aan het Engelse bestuur in Irak en Koeweit, met dit verschil echter dat Churchill daarvoor hoofdzakelijk platte politieke beweegredenen had. De aanwezigheid van Engelse troepen die nog niet voor de bescherming van de olietransportroutes werden ingezet, maar wel de opstandige 'nomaden' in bedwang moesten houden wilde hij tot overzichtelijke aantallen terugbrengen, omdat de kosten van legering 'voor de belastingbetaler ondragelijk' waren geworden. Churchill verkeek zich op de gevolgen van zijn bezuinigingspolitiek: door de vermindering van troepen kregen de anti-Engelse krachten in Irak de kans zich te organiseren en te bewapenen (voor een deel met geweren die uit Engelse wapententen waren gestolen) waardoor het Engelse bestuur tot meer concessies werd gedwongen dan het lief was.

Het enige duurzame plezier dat Churchill aan zijn militaire beleid in Irak beleefde, was de noodgreep om de vermindering van de landstrijdkrachten in het Midden-Oosten te compenseren door een uitbreiding van de luchtmacht. In de strijd tegen de revolterende nomaden van Irak bleek de door Churchill opgerichte RAF in 1922 een sensationele effectiviteit te hebben. De gisteren overleden historicus A. J. P. Taylor, meer pacifist dan bewapenaar, omschreef het succes van de RAF de eerste luchtmacht ter wereld als sensationeel. 'De Royal Air Force bombardeerde de dorpen van de opstandige stammen en stelde in een oogwenk de revolte buiten gevecht', onder toevoeging van de mededeling dat de door Churchill gevolgde strijdwijze veel goedkoper was dan een traditionele militaire expeditie zou zijn geweest. Churchill had de doelmatigheid van een onafhankelijke strategie in de lucht aangetoond en daarmee een geheim wapen in omloop gebracht. Het was duidelijk geworden dat een bombardement uit vliegtuigen niet alleen een opstand van nomaden kon bedwingen, maar ook een wereldoorlog kon beslissen. Aan alle accolades die de geschiedenis al aan Winston Churchill heeft verleend, moet dus nog de aantekening worden toegevoegd dat hij de grondslag heeft gelegd voor de roem van de RAF door van Irak de proeftuin te maken voor de ontwikkeling van oorlogvoering in de lucht. Uit de tirades die Saddam Hussein de afgelopen weken tegen de vroegere koloniale machten in het Midden-Oosten heeft afgestoken (zoals in het hierboven weergegeven citaat uit zijn toespraak van 10 augustus) blijkt dat de machthebber van Bagdad zijn geschiedenis kent. De legitimiteit van Koeweit steunt op een wrakke constructie waarvan de oorsprong ligt in het door Sykes en Cox en Bell met de losse pols gespeelde imperiale zandhappersspel uit het begin van de jaren twintig. Maar de ironie van Saddam Husseins aanklacht tegen het Westen is dat zijn eigen land niet minder een produkt van datzelfde in de societeit beoefende koloniale gezelschapsspel is.

    • H. A. van Wijnen