Het succes van Nederland

Nederland is af. Alleen de sociale vernieuwing nog, en dan ligt het rijk van voorspoed en geluk definitief voor het grijpen. Het enige dat de politieke bestuurders vervolgens nog moeten doen is goed oppassen - het zijn de beheerders die in Den Haag de dienst uitmaken. Maar hoe lang gaat het goed als de grote ideeen uitblijven? Ze zijn er nog in onze samenleving: de idealistische en dus ook totalitaire leiders. Ze zijn alleen niet meer in de politieke wereld te vinden. Johan Cruijff is nu hun profeet en leider. De man die het aandurft om onaangepast door het leven te gaan, de ideoloog die er niet tegen opziet openlijk de strijd aan te binden met de consensus-cultuur die zo langzamerhand over heel Nederland vaardig is geworden.

Het kristalliseerde zich afgelopen zomer allemaal uit in de 'affaire-Beenhakker'. Begin juni leek er nog niets aan de hand met Nederland. De benoeming van Leo Beenhakker tot bondscoach-ad-interim voldeed keurig aan onze politieke cultuur, die cultuur waarin het compromis het hoogste goed is geworden omdat de burgers alleen zo hun driftige begeerte naar sociale promotie en heimelijke angst voor maatschappelijke degradatie kunnen verzoenen. Beenhakker was immers 'communicatief', kon goed met de pers overweg en genoot bovendien het vertrouwen van de modale topvoetballer van Oranje.

Het draaide daar in Italie echter uit op een fiasco. De leiders in het veld (in hierarchische volgorde: Marco van Basten en Ruud Gullit) faalden hopeloos. Maar welk vernietigend oordeel velde Johan Cruijff naderhand? Dat het niet aan de vedetten had gelegen maar aan het voetvolk. Vanaf het moment dat alle voetballers aan de vooravond van de wereldkampioenschappen in een hotel op Schiphol, bij wijze van advies aan de KNVB, hadden mogen stemmen over de coach van hun voorkeur was het misgegaan. ' Alle spelers hebben niet dezelfde rechten. Vijfenzeventig procent mag blij zijn dat ze mee mogen doen. Die zijn vervangbaar. Het gaat om die paar leiders', theoretiseerde Cruijff achteraf. ' De nummer een (Van Basten, red.) moet altijd de macht hebben. Als de macht je ontnomen is, kun je niet meer corrigeren in het veld.' Cruijff vertolkte aldus een diepe emotie, een emotie die in het openbare leven steeds schaarser aan het worden is: de behoefte van menigeen om zich te kunnen identificeren met hen die grenzen verleggen, met diegenen die nog kunnen dromen van de ware liefde of de echte macht, kortom met hen die in de welvaartsstaat een zinvol bestaan trachten op te bouwen waarin niet alleen oog is voor banale belangen maar ook nog voor de waarheid op zich.

Daarom zijn we enigszins teleurgesteld als tennisser Boris Becker in Der Spiegel, in een reactie op de woede die hij zich op de hals had gehaald nadat hij zijn sympathie voor de krakers in de Hafenstrasse van Hamburg had geetaleerd en zijn antipathie jegens de kaviaar-ambiance van de Duitse tennisbond, uiteenzet dat hij gewoon ' op zoek is naar normaliteit'.

Dat kunnen we immers allemaal. Daarom ontroeren Mick Jagger en Keith Richards wel als zij Vaclav Havel in diens presidentiele onderkomen in Praag bezoeken en er vervolgens drie rare en scheve koppen op het podium verschijnen als teken van cultureel elan in de leiding van Tsjechoslowakije. Daarom zitten de bioscoopzalen deze zomer juist voor de film Pretty Woman (met Richard Gere en Julia Roberts) stampvol, niettegenstaande de vernietigende kritieken van de recensenten die het cliche van de 'ridder op het witte paard' uiteraard niet willen en kunnen accepteren omdat een Jezus Christus hen al genoeg is. Daarom is ook de house-music thans zo ongekend populair in de discotheken van Amsterdam tot Echt, aangezien dat muziek is die door haar gebrek aan harmonie, haar overdaad aan bas-ritmes en haar onbeschaamde jatwerk uit voorgaande popperiodes slechts ruimte biedt voor introvert en quasi-opgewonden dansen, dansen en nog eens dansen en zo de oude functie van de dancing als huwelijksmarkt ontkent. Cruijff, Havel, de Stones, de man-redt-hoer en de solistische opwinding; het biedt ons tenminste de illusie van een waarachtig en gevaarlijk leven.

Nederland - zo mag blijken - is een tevreden land, een der beschaafdste politieke democratieen ter wereld. Want gelukkig is de natie die het zich kan veroorloven om haar ambities totaal in sport en muziek te zoeken. Veilig is de samenleving die haar 'zingeving' buiten de politiek wil vinden.

Het scherpe contrast tussen de totalitaire aspiraties van Cruijff en al die andere cultuurhelden van deze tijd enerzijds en het openbare bestuur anderzijds is een teken van vooruitgang. Het is goed dat sommige intellectuelen zich juist daarom nu zo zichtbaar vervelen en daar lucht aan geven door op gezette tijden in moderne toonaarden de ' ondergang van het avondland' (lees: hun eigen rol als gidsen der natie) te voorspellen.

Het illustreert dat Nederland de alteratie van de jaren zestig/zeventig, een van de ingrijpendste decennia in onze moderne tijd, achter de rug heeft. Het toont aan dat we nu echt in de derde fase van onze parlementair-democratische geschiedenis zijn aanbeland.

Na de politieke periode (de strijd om de formele democratie, in 1917 culminerend in het algemeen kiesrecht) en de sociologische periode daarna (de materiele democratie, die in de jaren zestig tot uiting kwam in de welvaartsstaat die ondanks alles nog steeds bestaat) verkeren we sinds kort namelijk in de psychologische fase. Ideele doelstellingen zijn tegenwoordig niet meer aan de orde in de politiek, de materiele posities van collectieve groepen (klassen, zo men wil) evenmin. Het is allemaal veel complexer geworden. Politici moeten zich nu een weg zien te banen door de som van allerhande individuele belangen die soms parallel lopen maar meestal niet. Er is geen politicus die het zich nog kan permitteren om een algemeen belang na te streven dat de behoeften en zorgen van de individuele burgers expliciet te boven gaat. De hedendaagse bestuurder bekommert zich slechts om het 'afwegingsproces' en, als hij of zij dat goed heeft doorstaan, om de 'uitvoeringsproblemen' die daarvan het gevolg zijn. De waarheid in de politiek bestaat dus niet meer. En daarom is de gereformeerde evenwichtskunstenaar Bert de Vries een van de belangrijkste politieke leiders van de jaren tachtig geworden en niet de populist Jan Schaefer. Na ruim een eeuw is de Nederlandse democratie eindelijk gedemocratiseerd. Na honderd jaar worden we nu ten lange leste door onszelf geregeerd in plaats van door een elite die in onze naam opereert. De emancipatie van de middengroepen is voltooid.

Alleen al daarom zijn de politieke partijen als maatschappelijke organisaties niet meer zo belangrijk. Onze parlementariers hoeven immers nauwelijks nog afgebakende sociale lagen te representeren, ze kunnen er tegenwoordig mee volstaan zichzelf en hun buren te vertegenwoordigen. De organisatiegraad is de afgelopen veertig jaar niet voor niets teruggelopen van vijftien tot vier procent, ook al gebiedt de eerlijkheid te zeggen dat de meesten van die ruim vierhonderdduizend leden die de KVP begin jaren vijftig had van zichzelf vermoedelijk niet eens wisten dat ze lid waren van een politieke partij hetgeen van de doorsnee CDA'er (nog geen 140.000) vandaag ongetwijfeld niet meer gezegd kan worden.

De schakering van ons politieke spectrum is mogelijk zelfs een nog duidelijker signaal dat deze trend zich diep heeft vastgezet. We hebben nu al een kwart eeuw achter de rug zonder dat er zich een serieuze nieuwe partij heeft aangediend. Dat is een opmerkelijk lange periode. Sinds de invoering van het algemeen kiesrecht was er om de tien jaar wel een partij opgedoken die de ambitie hadden de bestaande orde uit te dagen: de totalitaire CPN en NSB in de jaren dertig, de semi-confessionele KVP en PvdA in de jaren veertig en de on-ideologische PSP en D66 in de jaren vijftig/zestig. Daarna werd het stil. De PPR was een overgangspartij, DS70 een verzetsverschijnsel en het CDA een nog verder gedeconfessionaliseerde voortzetting op oecumenische grondslag van de toch al geseculariseerde KVP. Een van de consequenties van de democratisering van de democratie is dat het aan het Binnenhof ogenschijnlijk nergens meer om gaat. In een op en top burgerlijk land is op het politieke niveau slechts globale regie aan de orde. De waarden en normen die aan ons bestel ten grondslag liggen, zijn in de geesten van de meeste volksvertegenwoordigers zo geinternaliseerd dat ze zich er niet eens meer van bewust hoeven te zijn. Integendeel, het zou zelfs gevaarlijk zijn als ze die normen openlijk zouden verdedigen, bestrijden of nuanceren omdat dat onmiddellijk door de individuele burger als een bedreiging van zijn vrijheid zou worden ervaren. En als ze het uit trouw aan oude vormen en gedachten proberen, zoals CDA en PvdA doen bij het zich nu al dertig jaar voortslepende debat over het omroepbestel, dan is hilariteit hun deel.

De toetsing van de steeds implicietere maatschappelijke normen wordt nu liever overgelaten aan de juristerij. Die heeft de laatste twintig jaar niet per ongeluk een ongekende vlucht doorgemaakt. De juristen zijn niet alleen een numerieke macht geworden, ze mogen ook meer en meer het genoegen smaken om als scheidsrechter in civiele en bureaucratische conflicten te kunnen fungeren.

In de aldus gejuridiseerde samenleving mag de politiek zelfs niet veel meer ambieren dan de rol als algemene moderator van het maatschappelijke verkeer. In een maatschappij, waarin meer behoefte is aan slimme advocaten dan aan stichtelijke pastoors of provocatieve intellectuelen, is het grote gebaar buiten de sport en de popmuziek zinloos geworden.

De kentering in de algemene en breed gedragen opvattingen over de overheid, die zich in de jaren tachtig heeft gemanifesteerd in begrippen als 'afslanking', 'deregulering' en 'interventiestaat', was veel minder het gevolg van diepgaand ideologisch debat dan politici als Bolkestein en Beckers om hun moverende redenen zo graag zouden willen zien. Ze was veeleer het logische resultaat van een structureel proces dat het nieuwe, geindividualiseerde, liberalisme wel in de kaart moest spelen. Dat de naam van de christen-democraat Lubbers zo nauw met deze periode wordt verbonden, bewijst dat eens te meer. Want wat we ook van hem mogen vinden, zijn werkmethode is grotendeels comform de eisen van deze tijd. Nimmer neemt hij expliciete beslissingen, steeds poogt hij een algemene sfeer te scheppen waarin ieder het zijne kan doen zonder daarbij te botsen met zijn algemene lijn. Bijna altijd tracht hij de ideologische component in het politieke bestuur te verdoezelen ten gunste van het brede managementbelang. Lubbers, kortom, is de meester van de vorm als doel op zich. Hij is het die als geen ander het postmodernisme in de politiek belichaamt.

Zoals menig hedendaags beeldend kunstenaar of theatermaker niet meer jaagt op de kern der dingen maar slechts naar het historisch gevormde geheel, zo is ook hij vooral op zoek naar het design. Onder zijn leiding heeft de ministerraad haar collectieve karakter verloren en wordt er in dat orgaan nog slechts via de zogenaamde 'bilateraaltjes' aan besluitvorming gedaan. Inderdaad, niet alleen in het land hebben de organisatie-adviseurs die de chaos wel scherp kunnen analyseren maar niet kunnen oplossen het voor het zeggen gekregen. Ook in Den Haag domineren ze. Het nog vaak gekoesterde beeld van de dominee en de koopman, het begrippenpaar waarmee Nederlanders al sinds mensenheugenis de spanning tussen hun morele pretenties en commerciele wensen proberen te verklaren, is zo langzamerhand echt een cliche geworden.

En toch, ondanks alle dankbaarheid die we voor dit succes van onszelf verschuldigd zijn, er is niettemin reden tot bezinning. Want hoe gelukkig onze maatschappij ook is, de eeuwige vrede is er nog niet uitgebroken en die zal ook nooit uitbreken. Integendeel, er dient zich nu juist een aantal serieuze problemen aan dat schreeuwt om intrinsieke belangstelling van de politiek, om niet te zeggen om directe interventie.

Toegegeven, het feit dat de wereld steeds dichter op elkaar komt te zitten, brengt met zich mee dat niets meer eenzijdig kan worden benaderd omdat elk gat dat hier wordt opgevuld elders tot een nieuw gat leidt. Maar dat neemt niet weg dat er aan het begin van de jaren negentig op tenminste vier terreinen een gevaarlijk gebrek aan maatschappelijke integratie is waar te nemen. En heus niet alleen door zwartkijkers die geen overmatig vertrouwen hebben in de mens en de vooruitgang.

Allereerst natuurlijk het milieu, het wordt misschien vervelend. Het kabinet-Lubbers/Kok heeft in zijn regeerakkoord van bijna een jaar geleden vastgesteld dat we binnen een generatie ons totale produktie- en consumptiepatroon moeten herzien. Dat sombere perspectief was gebaseerd op een niet aflatende stroom van studies die weinig goeds voorspelden maar de voorgaande CDA/VVD-coalitie desondanks niet tot eensgezinde daden had kunnen inspireren. Maar wat heeft het nieuwe kabinet sindsdien gedaan? Het kreeg als portefeuillehouder eerst een jonge, ambitieuze en loyale bureaucraat (bekwaam, het zal best) in zijn midden en ging vervolgens op zoek naar pragmatische oplossingen. Zelfs eenvoudige en voor niemand echt pijnlijke beslissingen over de maximumsnelheid op de autosnelwegen zijn deel gebleven van de consensus. De urgentie van drastische ecologische maatregelen wordt uiteraard door iedereen erkend. Anders zou de minister van verkeer en waterstaat niet overal langs de weg die motiverende borden laten plaatsen. Maar dat ook met dezelfde inzet politiek (dus niet bestuurlijk) uitdragen, dat is nog altijd te veel gevraagd. Want als deze of gene minister zou verklaren dat we voortaan alleen nog maar diagonaal dwarsgedraaide yoghurt mogen eten en terwille van het Brabantse land geen varkensvlees meer, dan denkt de burger slechts ' ach, ja, die minister toch' en gaat vervolgens over tot zijn eigen orde van de dag.

Ten tweede is er de Europese integratie. In de euforie over de val van de Muur en alles wat daarbij hoorde, is er naast openlijke vrolijkheid over de gewonnen Koude Oorlog en heimelijke zorg over vooroorlogse geo-politieke hypotheken nauwelijks nog een andere gemoedstoestand die geaccepteerd wordt. Maar wat te doen als de economische groei de komende jaren nu eens niet tweeenhalf tot vier procent zal bedragen (het uitgangspunt waarop het optimisme over het succes van het nieuwe Duitsland is gebaseerd, zeker in de Bondsrepubliek waar het Wirtschaftswunder toch al de contouren van ideologie had aangenomen) maar door de nakende recessie in de Verenigde Staten en het conflict in het Midden-Oosten gaat stagneren? Dan zouden er in Europa wel eens hele andere krachten dan de gematigde van nu kunnen loskomen. En die zijn dan niet te bestrijden via 'bilateraaltjes'. Dan is een bredere pacificatiepolitiek plotseling weer geboden. Toch wordt daar in de ministerraad geen serieus debat aan gewijd. Kennelijk zou dat te voorbarig zijn. Europa '92, de 'fall out' van de Berlijnse eenwording of de Golf, het zijn in 1990 nog steeds geen agendapunten die onze premier en diens minister van buitenlandse zaken graag in groter verband uitdiepen. Ook op internationaal terrein verkiezen ze de globale regie als politiek instrument.

Of wat te denken van de tegenstelling tussen Noord en Zuid? Onze bijdrage aan de ontwikkelingshulp mag er zijn, maar daarbij laten we het grotendeels. Zelfs als het asielbeleid aan de orde is, spreken we over juridische regelgeving en uitvoering, over individuele humaniteit en Westeuropese coordinatie. Dat het in feite om een migratiebeweging gaat, die zo oud is als de weg naar Rome en die nu door de toegankelijkheid van het vliegtuig onvermijdelijk ook Schiphol bereikt, verdwijnt dan naar de achtergrond. Hoewel dat toch het politieke aspect van de zaak is.

In het verlengde hiervan ligt de positie van de etnische minderheden in Nederland zelf. Het maatschappelijke isolement waarin de meesten onder hen zijn komen te verkeren, is het directe resultaat geweest van de culturele caesuur die Nederland de afgelopen decennia ondergaan heeft. De 'gastarbeiders' en 'rijksgenoten' hebben de pech gehad dat ze in Nederland aankwamen, juist toen wij aan het ontzuilen waren. Het gevolg was dat de migranten zich moesten zien te nestelen in een samenleving die aan de baisis slechts geleidelijk atomiseerde - daar zijn veel oude verzuilde structuren tot op de dag van vandaag nog levend gebleven - maar werd geleid door een elite die ter rechtvaardiging van haar eigen culturele bevrijding zeer luidruchtig ging verkondigen dat de tijd van de verzuiling voorbij was en voortaan iedereen echt vrij moest zijn. Dat leek mooi en modern, maar in feite sloten de middengroepen zich zo af voor de onderstromen in de samenleving die in de tijd van de verzuiling via-via wel tot de top konden doordringen. De opwaartse wegen die onze autochtone katholieken, kleine luyden en arbeiders hadden bewandeld, werden zo geblokkeerd. De enige vorm van beloning die in de jaren zeventig en tachtig bleef bestaan, was het subsidiesysteem. Daarmee dacht de burgerij haar verraad jegens haar eigen maatschappelijke ontwikkelingsgang af te kopen. De bedragen werden zelfs groter dan ooit. Maar de ideologische component, die daarmee ten tijde van de verzuiling onverbrekelijk verbonden was geweest, werd mistiger en mistiger. En dat heeft de allochtone elitevorming zozeer gefrustreerd dat we nu te kampen hebben met etnische gemeenschappen die minder dan de andere emancipatiebewegingen deze eeuw toegang hebben tot het politieke bestuur. De alom bejubelde tolerantie in Nederland werd aldus een vorm van onverschilligheid. Zeker twee generaties hebben hierdoor een achterstand opgelopen die de komende twee wellicht niet meer kunnen overbruggen.

Sterker, het heeft de vraag of zich nieuwe scheidslijnen aftekenen (naar een Duits woord, de ontwikkeling van een 'tweederde-samenleving') alleen maar in een nog ingewikkelder licht geplaatst. Het woord 'minderheid' is in deze context namelijk in meerdere opzichten adequaat. Niet alleen behoren de migranten in culturele zin a priori niet tot de meerderheid van de Nederlandse samenleving, ook in aantal zijn ze in de minderheid. Juist omdat de meerderheid in onze maatschappij aan de goede kant van de streep staat, de kant die het geld verdient of anderszins een nuttige bijdrage levert aan het Bruto Nationaal Produkt, is er een nog onbekend integratieprobleem aan het ontstaan. Vroeger, dat wil zeggen voor de emancipatie der massa's tot middenstanders, behoorde de meerderheid tot de onderste klassen. Hoe onrechtvaardig dat ook werd gevonden, bijkomend voordeel was wel dat de toenmalige bovenlaag het zich niet kon veroorloven de minderheid te negeren. Zeker na 1917 was dat alleen al om electorale redenen niet meer mogelijk. Compromissen waren derhalve geboden.

De verhouding tussen meerderheid en minderheden noopt nu echter niet per definitie tot een vergelijk, moreel noch materieel. De burgers kunnen rustig in hun eigen vijver blijven vissen omdat de minderheden toch geen electorale bedreiging vormen. Lang kunnen we ons in Uithoorn en Nieuwegein vermeien in ons kleine vedriet, zonder ons te hoeven bekommeren om de wijken die we als getto's achter ons hebben gelaten. Totdat de uitgeslotenen hun toevlucht gaan zoeken in een of andere vorm van maatschappelijke destructie. Dan is de verhouding tussen minderheid en meerderheid plotseling geen zondags probleem meer maar een dagelijks.

Aan de top van onze sociale structuur doet zich een spiegelbeeldig probleem voor. Ook de nieuwe elite, opgekomen op de golven van de commercieel-industriele revolutie die we nu meemaken, dreigt te desintegreren. Vroeger waren de elites in Nederland wel rijk maar hielden ze zich ook enigszins stil. Je mocht wel verdienen of bezitten, maar je kon dat buiten Wassenaar en Aerdenhout maar beter niet te veel laten merken. Die cultuur is de laatste jaren hardhandig verstoord. De elite schaamt zich tegenwoordig nergens meer voor. Uiterlijk vertoon is in Nederland vanzelfsprekend geworden, patserigheid een verdienste. De charitatieve moraal van de elite is daarmee navenant afgenomen. Het gevleugelde excuus uit de tijd van Den Uyl dat je hier niet rijk mag worden dan wel dat armoe de schuld is van de ander, is vervangen door het even spreekwoordelijke credo dat rijkdom geen toeval of geluk is maar kan worden afgedwongen.

Deze problemen worden in de specifiek Nederlandse verhoudingen nog gekwadrateerd ook. Want in vergelijking tot de meeste andere Westerse naties is ons land de afgelopen 25 jaar te snel gemoderniseerd. Nederland heeft zich in recordtempo uit de achterlijkheid omhoog getrokken. Waren we anderhalve generatie geleden nog een semi-industrieel en agrarisch land dat werd beheerst door een straffe moraal van sanctie en beloning, thans leven we in een staat die prat gaat op zijn liberaliteit. We doen alsof we daarmee kunnen leven, maar op de keper beschouwd kunnen we dat nauwelijks. Niet omdat we de nieuwe en geindividualiseerde normen op zich niet zouden accepteren, maar omdat we ons te snel hebben moeten aanpassen en gedwongen worden permanent in een dubbele moraal tussen vroeger en nu te leven.

Daar zijn risico's aan verbonden. Naar welke middelen zullen de middengroepen, met hun op inkomensgroei gebaseerde annuiteitenhypotheken, grijpen als zij zich straks onverhoopt geconfronteerd zien met hogere rentestanden en stagnerende vooruitzichten? Hoe zullen de juppies in de steden zich gaan gedragen jegens de kleinburgers in de rest van ons geurbaniseerde land? En wat zullen zij doen die nimmer te paard hebben gezeten en de kans daarop in een afglijdende economie helemaal zien verdwijnen? Revolutionaire momenten doen zich nu eenmaal zelden voor op het hoogtepunt van een sociaal-economisch proces doch veeleer als hoogespannen verwachtingen gelogenstraft worden. Dan zouden de 'gay eighties' wel eens sneller voorbij kunnen zijn dan we nu kunnen voorzien.

In zekere zin hebben we daarvan het afgelopen decennium al een kleine voorbode gezien. De snelle opmars van de Centrumpartij in de eerste helft van de jaren tachtig was een signaal dat kennelijk niet iedereen het tempo kan bijbenen. Dat de politieke wereld zich daar toen wel druk om maakte en nu nauwelijks zegt dan ook meer over de psychologische effecten van de recente hoogconjuctuur, die blijkbaar enigszins verblindend werkt, dan over de intensiteit van het racisme in Nederland.

Je zou veronderstelen dat de politieke wereld nu dus zindert van deze of andere vraagstukken. Helaas, de politieke partijen bivakkeren nog altijd merendeels in hun eigen kuiltje.

Natuurlijk, niets is nieuw van wat hierboven is opgeworpen. Menig thema komt op gezette tijden in versnipperde vorm wel eens op de agenda van de Tweede Kamer of een partijconferentie. Om de paar jaar jaagt zelfs premier Lubbers vanuit Noord-Scharwoude of elders het 'zieke' Nederland de stuipen op het lijf door te waarschuwen voor ondermijning van het democratisch normbesef of te pleiten voor hogere boetes en strengere arbeidsdiscipline omdat er zo langzamerhand te weinig mensen produktief zijn voor te veel consumptie. Het gaat dan ook niet aan om 'de politiek' in een pennestreek af te doen als een bezigheid van halfgare klerken, zoals nog steeds bon ton is in kringen die zichzelf geletterd dan wel rijk of verschopt achten.

Maar breder is de discussie over deze kwesties tot op heden zelden geworden. Zelfs op regionaal en lokaal niveau - waar het in deze tijd van decentralisatie en 'sociale vernieuwing' toch allemaal vandaan zou moeten komen - wordt er bij voorkeur veilig op de vierkante millimeter geopereerd.

De belangrijkste politieke partijen hebben ook een min of meer diepgaand intern debat achter de rug. Maar waartoe heeft dat geleid? Het CDA-concept van de 'verantwoordelijke samenleving', dat uitgaat van de kracht van het 'maatschappelijke middenveld' (de scholen, ziekenhuizen en andere verenigingen) en de zwakte van de centrale staat, is een antwoord. Maar in de praktijk wil het met het concept maar niet lukken. Zelfs de tripartisering van de arbeidsbureaus (de delegatie van de arbeidsbemiddeling naar de sociale partners) wil niet echt lukken. Het heeft de grenzen van de CDA-ideologie haarscherp vastgelegd. In deze jaren, waarin het liberale progressivisme en optimisme hoogtij vieren, is het welhaast ondoenlijk geworden om nog iets constructiefs tegenover het individualisme te stellen. De christen-democratie kan nu alleen nog maar afremmen en vertragen wat structureel uiteindelijk onstuitbaar is. Ze is eigenlijk niet meer dan een nuttige achterhoede.

De introspectie die de PvdA op zichzelf heeft losgelaten, mag evenmin ongenoemd blijven. Het probleem is alleen steeds geweest dat de sociaal-democraten zo angstig doen. Neem de directeur van de Wiardi Beckmanstichting, de man die begin jaren tachtig haarscherp het falen van het etatisme van zijn partij analyseerde. Geheel in lijn met dat uitgangspunt verkondigt hij nu dat de politiek zich moet beperken tot het domein van de bureaucratie. De politiek moet er niet voor geluk en liefde willen zijn. Dat is verstandig, zeer verstandig, maar het miskent ook een wezenlijk kenmerk van elke vorm van politiek die de pretentie heeft meer te doen dan louter beheren: namelijk de kanalisering van emoties, dat wil zeggen, het zoeken van compromissen tussen de belangen en het driftleven van de elites en de gewone achterban. Of bezie al die commissies en rapporten van de PvdA. Ze hebben geleid tot een herwaardering van de jaren-Drees. Maar de vraag of de cultuur van de wederopbouw-periode, anders dan als klucht, wel naar de jaren negentig is over te planten bleef al die tijd onderbelicht. Met als gevolg dat de PvdA nu weer met een strategiecommissie op de proppen moet komen, dit keer onder leiding van ex-minister Jos van Kemenade en met prominente partijgenoten als prof. Cees Schuyt, Bram Peper en mevrouw Mulock Houwer.

Zelfs de VVD en klein links hebben zich binnenste buiten gekeerd. De eerste partij dacht zich met een glashard 'utilitair' liberalisme te kunnen wapenen tegen de liberalisering van de concurrentie. Maar dat heeft tot nu toe weinig opgeleverd. Want het structurele probleem werd er niet mee opgelost. De VVD heeft zichzelf door haar ideologische succes gewoon ten dele overbodig gemaakt. De leiderschapscrisis, overigens mede in de hand gewerkt door het falen van de oude voorman Wiegel die niet in staat is geweest zijn eigen opvolging fatsoenlijk te regelen, was daarvan het gevolg. En Groen Links hoopte zich op de postmoderne toer een coherente ideologie te kunnen aanmeten door simpelweg alleen de positieve aspecten van de christen-democratie (naastenliefde), de sociaal-democratie (gelijkheid) en het liberalisme (vrijheid) voor zich op te eisen. Zonder dat de nieuwe formatie zich tegelijkertijd zelfs maar afvroeg hoe ze de negatieve kanten van dit bij elkaar geharkte compromis tussen Romantiek en Verlichting (opgelegde moraal, sociale controle en dwang enerzijds, ongeremdheid en agressie anderzijds) zou kunnen vermijden.

In zekere zin is alleen D66 tot nu toe buiten schot gebleven. De Democraten hoefden ook niet naar hun navel te staren omdat ze bij uitstek de partij van de stedelijke burgerij zijn geworden. Ze hebben alleen hun organisatorische basis dermate verwaarloosd, bewust zelfs, dat ze nog steeds een organisatie rond een leider zijn en alleen al daarom niet in staat moeten worden geacht om de nieuwe integratie en pacificatie te dragen. Van Mierlo op een zeepkist, het zal altijd een genoegen zijn om naar te luisteren, maar gevreesd moet worden dat slechts weinigen er hun leven om zullen beteren.

Het gevolg van de teloorgang van de klassieke Nederlandse ideologieen in de jaren tachtig is dat ons politieke spectrum uit balans is geraakt. De cultuurpessimistische partijen hebben nu via het CDA en in mindere mate de PvdA de formele macht. Zij kunnen zich beroepen op de steun van bijna tweederde van het volk. Maar op straat zijn de cultuuroptimisten de baas. Daar wordt pas echt de richting van onze samenleving bepaald. Die paradox los je niet op door je wethouders moderne pakken aan te laten trekken of op gezette tijden bij de traiteur langs te sturen.

Het zou overdreven zijn nu ineens de alarmklok te gaan luiden. Nederland heeft immers een patent op dergelijke culturele spanningen en die hebben vaak geleid tot mooie, zij het wat hypocriete, oplossingen voor onmogelijke problemen als abortus en straks wellicht euthanasie. Maar dat veronderstelt wel dat de verschillende politieke zijden zich bewust zijn van hun posities. En dat nu is nauwelijks nog het geval. Zonder ze allemaal over een kam te willen scheren, het probleem van onze politici is niet dat ze het ook niet weten. Het probleem is groter: velen weten niet eens dat ze het niet weten. En als ze al iets vermoeden, dan schuiven ze het bij voorkeur op de lange baan. Kiezen (de essentie van de politiek, zo hielden de politici mij altijd voor tijdens de traditionele forumdiscussies in de gymzaal van school) is er niet meer bij. Laat staan dat die keuzes nog enigszins bevlogen aan de wereld kond worden gedaan. Het is te zeer lonend geworden om het bestuur van ons land over te laten aan de ambtenaren. Die zijn goed en loyaal, hebben oog voor het haalbare en de continuiteit en mogen zich niet verantwoorden.

En dat afweermechanisme voor de onbegrijpelijke realiteit van vandaag is wel gevaarlijk. Want als de gedachte postvat dat democratie geen debat meer hoeft te zijn over wederzijdse principes, wereldbeelden en praktische visies maar slechts een gedachtenwisseling van managers over de effectiefste oplossingen van korte termijnproblemen, dan verliest ze haar dynamiek en uiteindelijk ook haar primaat. Wie er tegen die tijd in het aldus getrokken vacuum zal springen, is uiteraard niet te voorspellen. Het ligt alleen niet voor de hand dat slechts rationele en verlichte krachten dat zullen proberen. Nu zoeken we ons romantische leiderschap in sport- en pophelden. Dat is echter niet het einde van het verhaal. Voor populisme in de politiek zou de tijd wel eens sneller rijp kunnen zijn dan we nu vermoeden, zeker als die trend zich bij de buren gaat manifesteren.

De tevredenheid die onze politieke democratie nu kenmerkt, trekt daarom een te grote wissel op de vooruitgang. Het is brutaal. En het optimisme van onze premier (' er is geen plaats voor pessimisme, de akkers liggen open', schreef hij vorige maand in deze krant) wekt allerminst vertrouwen.

    • Hubert Smeets