Het beloofde land; 'Swaelvlei was zo doods als een pissebedonder een tegel'

Een warme wind heeft haar dorp in slaap gesust. Het gras in de goten is bruin, de toppen van de bomen zijn verdord. De bordjes 'pas op vir die hond' bengelen roestig aan de hekken. Onze banden zuigen aan het teerpad, hier en daar kraakt een windpomp in een achtertuin.

We rijden langs huizen met gesloten luiken en braakliggend stofland. Aan het eind van de straat lopen twee bruine kinderen. Als ze onze auto zien, rennen ze weg en verstoppen zich achter de witte muren van een half afgebroken gebouw. ' Het gesticht', zegt Eva, ' zo noemden we de kleurlingkerk. Vijftien jaar geleden toen mijn vader in dit dorp werd begraven, stond hij er nog.' Eva rijdt midden op de weg, ze leunt voorover en probeert de straatbordjes te lezen. Slaat linksaf, rechtsaf. ' Ik ben hier acht jaar school gegaan, maar wie is nu het meest veranderd, ik of het dorp? Waarom herken ik niets meer?' Ze zoekt naar het huis van tannie Kotze, die samen met haar zoon de mooiste tuin van de streek had. Misschien heeft ze wat bloemen voor haar vaders graf. Tannie Kotzes zoon 'het skeuns gaan draai', een homo die voor zijn oude moeder zorgt. Hij had haar deur met bloemetjes beschilderd. Maar haar tuin is nu een verwilderd perk en haar huis staat er verveloos bij. Alleen de steeltjes op de deur hebben het gehouden.

Twee vleermuizen bungelen onder het afdak. We kijken door de gore ramen, zoonlief heeft al jaren nergens meer een lapje overgehaald. ' Wat is er met mijn dorp gebeurd?' roept Eva. Ze loopt de hoofdstraat in. Rammelt aan de deur van de cooperatie. Dicht. ' Hier kochten de boeren hun zaad.'

Het huis van de organist is afgebroken. De juwelier heeft planken voor zijn deur getimmerd.

Een juwelier, in dit dorp?' Nou ja, hij verkocht horloges.'

Ze duwt haar pols onder mijn neus. Een klein gouden horloge, haast verborgen in haar mollige pols. ' Gekregen omdat ik bleef leven', zegt ze lachend en ze neemt me bij de hand, loopt even als een kind, half dansend, de ene voet voor de andere, en duwt me op de stoep van een klein huisje met zachtgroene luiken. Ze bonkt op de deur, loopt achterom en keert zenuwachtig lachend terug. ' Hier kunnen we gelukkig hardop praten. Die zijn ook vertrokken. Het is een wonder dat deze muren niet wit zijn uitgeslagen. Ik heb in dit huis weken en weken gehuild. Hier heb ik van mijn zevende tot mijn negende gewoond, toen ik voor het eerst het huis uit moest om naar school te gaan.' We zitten op de stoep van oom Isak en tannie Sop... soep omdat ze tussen de middag voor de hele school soep kookte. Het waren armblanken. Oom Isak had een long en schoffelde wat in zijn tuin en tannie Sop had een skroefbors, een hijgend hart of zo. Ze leefden van haar soep en van Eva. Dit was haar koshuis, zondagavond gebracht en vrijdagnamiddag gehaald. Twee jaar lang heeft ze elke schooldag gehuild.' Ik lustte hun eten niet, hun bokmelk, hun winkelbrood, hun verlepte sla. De lakens roken zuur. Al na een week bracht ik mijn eigen velkombers mee, een deken van schapevel, en omdat ik ook hun eten niet meer at, dronk ik mijn eigen plaasmelk, kreeg mijn eigen biltong mee en boerewors. Niets dat zij hadden mocht mij aanraken. Ik belde elke dag naar huis en huilde dan een kwartier door de telefoon. Die mensen leefden zo anders. Ik was nog nooit langer dan een dag van onze plaas weggeweest. '

'sAvonds in mijn bed snoof ik aan mijn velkombers en dan liep ik weer op Swaelvlei, hier zestig kilometer vandaan. En ik dacht aan mijn moeder die 'smorgens met een oud hagelgeweer tussen de bomen hurkte om eenden in de dam te schieten. Zij was onze wekker. En mijn voeten verlangden naar warme as, waar ik na het ontbijt met mijn broers en met de kleinkinderen van Dawid, onze oude knecht, naar knopen, stukjes gekleurd glas en botten zocht.'

Tot ik met mijn vader meemocht. Schapen tellen of mee op jacht. Korhoenders schieten die het pasgezaaide koren uit de achtervelden pikten. We reden op de donkie-kar, de dauw blonk nog op de wilde twakbome, langs de honingbijen die om hun korven zoemden, en dan werd ik pas goed wakker. Hij knalde de kogels zo langs mijn oor. De vogels werden met hun poten aan elkaar gebonden en om mijn nek gehangen. Als ik weer thuiskwam leek ik zelf op een dikke vogel.' Weggerukt uit Swaelvlei verpieterde ik in dit dorp. Ik wilde niet leren, ik verlangde naar mijn vriendjes op die plaas. De schooljuffrouw, Miss Tidmarsh, sprak nauwelijks Afrikaans, ze leerde me Engels. Engels! Ik wou geen Engels leren. Maar ik moest van mijn vader, want in die 'voorwereld' moest ik me ook kunnen redden. En Tiek en Bokkie en Awie dan? Hoefden die geen Engels? Nee, ik moest slim geleerd worden. 'Ons witmense kan nie laat slap le nie', zei mijn vader. Als de witmensen niet leerden zouden ze hun land verliezen, dan zouden ze de knechten van de bruinen en de zwarten worden. Hoe zou je het vinden als je op een dag voor de kleinkinderen van ou Dawid moest werken? Nee, Engels zou mij redden. Mijn Ma zei: 'Jy kan nie altyd aan my rok band vashou nie.' Ik zou scheefgroeien als ik niet leerde op mijn eigen benen te staan.' Voor de klas was het ideaal. Alle meisjes werden onderwijzeres, om later een boer te trouwen en taart te bakken voor de kerkbazaar en het plaasvolk te leren lezen en schrijven, zoals mijn moeder had gedaan. Nooit eerder werd er zoveel van mijn witte vel verwacht.' Tannie Sop en oom Isak voelden zich ver boven bruin verheven. Ook boven Anton de bouwer, die hier op het bovendorp woonde - de wijken waren toen nog niet naar kleur ingedeeld. Anton was de enige die een huis met twee verdiepingen bezat.

We kenden hem thuis goed, hij had onze klipstoep gebouwd. Tiek, Awie en Bokkie waren ook trots op hem omdat hij een van hen was en omdat hij een lorrie had. En ik was trots want ik mocht altijd voorin als we hem tot het hek uitgeleide deden. Het kind van de baas op de beste plaats, de anderen achterop. Maar Tannie keek neer op een klipstoep, zij hadden beton.' Wij hadden de mooiste stoep uit de omgeving, met een bloekom en soetdoring ervoor, en uilen in de gele wallen van de dam, ruige valleien aan de andere kant van de rivier, een kraal met muren van koemest. Tannie Sop vond onze wereld maar doods, voor haar was dit dorp een stad.' Maar Swaelvlei was zo doods als een pissebed onder een tegel, het leek doods in de zomer, als de blauwe hemel het leven platdrukte, maar zijn hart heeft altijd geklopt, vooral in de zaai- en oogsttijd, na de regens als de droge rivier vol water stond.' En het was ook geen eenzame wereld. Oma's, opa's, neven, nichten, bruine kinderen, zwarte schaapscheerders, paarden, ezels, bokken, schapen, koeien, kalkoenen, honden, katten en een makke kraanvogel, twee struisvogels, het was overvol. En alle boerderijen in de omtrek waren vol. Draaivlei, Skuinsrivier, en verderop... Bothasdal, Skilpadskuil, Wolfskraal, allemaal oude plase, overal volk, overal mensen.' Ik vond het dorp een dooie plek, op de plaas bleef mijn neus scherp van kruidige bossies en mijn ogen scherp voor een slang op het pad. En ik zat niet op een bank in een schrift woorden te spellen. B-R-E-A-K-F-A-S-T, good morning - toch anders dan brekfis en more.

Daar liep ik met een zaaizak op het geploegde veld, ik zaaide in een gootje, mijn vader en mijn oom Hansie deden het wijd. Ze sproeiden het koren over de klamme grond, en was een klein stuk klaar, dan hielp ik de ezels in te spannen - het zaaigoed moest bedekt. Ook al beten en trapten de ezels je schenen rauw, iedereen deed daar aan mee, meisje, jongen, wit en bruin. De eerste ploegdag was een feestdag.' En het ploegen moest snel, van zonsopgang tot schemering, dag na dag. Tijd om te zitten namen we niet, want het was een strijd tegen de zon en de wind. Als de grond droog is, is hij droog en dan is het te laat. En ik werd zeven jaar oud achter de ploeg gezet, op een tweeschaar achter een span van zes, over mijn zelfgezaaide voren. Mijn Pa zei: 'Ons moet jou aan die grond vasmaak'. En zo voelde ik het ook. Ik zat vast aan die plaas en we waren een met alle mensen.' In dit dorp kon ik niet aarden. Op een dag werd ik ziek. Griep dacht tannie Sop. Ze gooide nog een zure deken over mijn velkombers. De warmte zou het kwaad er wel uitzweten.

De volgende dag ratelden mijn tanden en tolden mijn ogen. Tannie Sop haalde haar hele medicijnkast leeg. Haarlemmerolie, Harmansdrup, Jamaica gember, alle boerenmedicijnen die haar kast maar bood. Veel slikken, maar geen dokter. Toen ik steeds maar moeilijker ademde, haalde ze de dokter er pas bij. Ik had een longontsteking en moest naar het ziekenhuis in Britstown. En snel. Maar de auto van de dokter was kapot. Al was het tachtig kilometer, je deed er twee uur over. Niemand kon me brengen, iedereen was naar de schapenshow. 'Anton de bouwer heeft een auto', zei de dokter. 'Die hotnot zal haar verkrachten', zei tannie Sop, en het enige wat ze deed was hande vat met oom Isak, in mijn bezwete handje knijpen en tot God bidden. De dokter belde toen mijn vader en die heeft gesmeekt mij door Anton bij die mensen weg te halen. Ze zouden me liever hebben laten sterven dan een gunst aan een bruinman vragen.' Na mijn genezing ben ik daar meteen uit huis gehaald.

Maar het leek wel of ik onder die dekens ook mijn heimwee naar die plaas had uitgezweet. Ik wilde heel graag Engels leren en alle sommen maken om later dokter te worden. Nooit meer de smaak van Haarlemmerolie en achterlijke boerenmiddeltjes.' Eva tikt op haar horloge. ' Dit doe ik natuurlijk nooit meer af.' We lopen naar de auto en rijden nog een keer door het dorp, op zoek naar het huis van Anton de bouwer. We zien het twee keer over het hoofd - het was te zeer gegroeid in haar herinnering -, maar twee verdiepingen heeft het, zelfs een klein balkon en het gras is er groener dan bij de buren. Ook mort er wat leven in de straat. Een radio staat aan, iemand knipt een heg. Eva pakt haar fototoestel en loopt naar het huis. Na twee foto's opent een vrouw de voordeur. Wit, en heupen als een schapestaart van alle koek en taart. We groeten beleefd. Waar is Anton? Naar de Kaap. Volgens de wet op de groepsgebieden mocht hij hier niet langer wonen. Alle kleurlingen en zwarten hoe rijk ook moesten naar het onderdorp en alle arme witten van beneden naar boven. Anton was zeker te rijk voor het onderdorp en is voorgoed vertrokken. Terug in de auto zegt Eva dat het allemaal onder Verwoerd is gebeurd: ' Daardie dom Hollander.' We rijden naar de brug over het kleine beekje dat het bovendorp van het onderdorp scheidt. Het lijkt er nog warmer. De ventilator blaast fijn zand de auto in.

Ik draai mijn raampje wijdopen.' Doe dicht, ' snauwt Eva.' Waarom?' ' Het is te gevaarlijk.' ' Ach, stel je niet aan.' Een groepje schoffies komt een zijstraat uit. Ze dansen op de muziek van een draagbare radio. Eva keert met slippende banden en rijdt volgas terug, het witte dorp in. ' Ik heb geen zin om mijn auto met stenen te laten bekogelen.' Ik draai het raam woedend dicht, sla de zonneklep hard tegen de voorruit en kras wat boze zinnen in mijn aantekenboekje.

' Een met alle mensen, ' zeg ik als we buiten het dorp zijn. Eva krijgt tranen in haar ogen. We rijden zwijgend verder. Plotseling stopt ze en keert de auto. ' Terug, ik ben het graf van mijn vader vergeten. Daar wacht jouw ideale Zuid-Afrika. Op de nieuwe begraafplaats liggen alle kleuren door elkaar.' Eva huilt weer. Pa Landman had gelijk: haar blaas is te na aan haar oe.

Het weer huilt ook. Plotseling zien we links boven de bergen mistige grijze wolken en strepen grijs tegen de bergen hangen. ' Streepregen, ' zegt Eva hees. ' Nu bidden alle boeren voor een landsregen. Nu wil ik ook naar Swaelvlei... ' Eva wil naar alles terug, als een zwaluw die de zomer ruikt. Langs het pad dat ze tien jaar lang, elke maandag en elke vrijdag reed. Dezelfde slinger zit nog in de bochten, langs dezelfde hekken. Zelfs de schaduw van de stenen wallen waar schaapwachters destijds koelte zochten, heeft volgens haar nog dezelfde grillige vorm.

Eva zit op de punt van haar stoel. Haar stem is hoger, opgewonden noemt ze alles op wat ze ziet. Ze lijkt weer het kind dat op haar vaders schoot het stuur mag vasthouden.

In de verte ligt het huis van een rijke Afrikaner boer, de enige in de contrei die overzee was geweest. Ze waren kinderloos en wisten van de wereld, ze dronken thee uit blauwe kopjes met een gouden rand en voor het raam stonden bokalen Sloveens glas. Iedereen sprak er schande van: goud aan hun lippen en geen nageslacht. Toen Eva naar de universiteit ging kreeg ze van hen haar eerste flesje parfum. Femme. Bezoeken heeft geen zin. De plaas is al jaren verlaten, ze zijn allebei dood. Uit de erfenis kreeg Eva een hangertje met een ivoren wortel, een vruchtbaarheidssymbool.

Muggen en vliegen klitten op onze voorruit. De donkere wolken drukken al wat vliegt omlaag en bliksems schieten achter de randen van de verre bergen. Voor ons loopt een zwarte man met een blauwe plastic jerrycan op zijn hoofd. Hij kijkt niet op of om, hij draagt de jerrycan als een kroon. Balthasar in de Karoo. We rijden hem voorbij, Eva kijkt in haar achteruitkijkspiegel en ziet haar ideale foto. Ze stopt, pakt haar camera en loopt op de man af. Ik blijf bij de auto en krab wat zilveren vleugels weg.

Maar Eva neemt geen foto. Ze danst om de man en de man danst om haar. ' Nee, Elias.'

' Nee, missus.' ' Hoessit', ' hoessit.' Ze lachen en slaan elkaar op de handen. De jerrycan klotst, zwenkt en pas als ik naderbijkom neemt Elias hem af, als een groet zet hij zijn last op de grond.

Elias is een knecht van Pa geweest. Ja, hij weet nog alles van baas Kallie, ze hebben samen een jakhals doodgeschoten en o wat kon die baas kwaad zijn als Elias dronken was. ' Die baas hield niks van bier, ' zegt Elias lachend, en hij wijst naar het sorghum dat uit de prop van de jerrycan schuimt.

Elias is op weg naar Swaelvlei. We nemen hem mee, hij wil ons alles laten zien en we mogen overal in, want zijn nieuwe baas is met het hele gezin naar Bloemfontein. Ik sta erop dat hij naast Eva zit, maar hij weigert. Liever kroop hij met zijn jerrycan in de kofferbak dan naast de missus. Met moeite schikt hij zich op de volle achterbank. Eva en Elias lachen elkaar toe in de achteruitkijkspiegel. Hij met zijn gele doorrookte tanden, zij met haar grote waterige ogen.

Elias vertelt van zijn omzwervingen. Na jaren is hij terug op Swaelvlei. Hij is een Xhosa, zegt hij mij trots, en wilde een tijdje naar zijn eigen mensen. Zijn zoon moest man worden en dat kon niet hier in de Karoo. Dit is geen streek voor zwarte mensen, te veel hotnots, maar nu zijn zoon een toekomst in de Transkei heeft, trok hij weer terug naar de streek die hem zoveel jaren werk bood. Hij weet van baas Kallies dood, hij heeft zelfs nog even onder Eva's broer Uys gewerkt. Nu is zijn baas een Engelsman.

Eva zucht. Weer zo'n Engelsman met geld. Een ingenieur nog wel. Hij boorde water, kocht dure pompen, liet een koelcentrale bouwen en legde een lijn naar de spoorbaan aan. ' Dis geen plaas meer maar 'n fabriek, ' zegt Elias.' Als ze niet oppassen nemen de soutpiele hier alles over, ' zegt Eva. Soutpiele? Ja, zo noemen ze hier de Engelsen, die altijd maar zeuren over home, home en oversees. Ze wonen met een been in Zuid-Afrika en een been in Engeland en hun piel pekelt boven de oceaan. ' Inkruipers, worden ze ook wel genoemd, ' zegt Eva. ' Ze boeren goed, maar anders. Ze spuiten met chemicalien, ze besproeien het land. Wij gaven de perziken nooit water, daar werd het fruit beurs van.' ' Nu plukken ze het groen van de boom, ' zegt Elias. Hij trekt er een vies gezicht bij. Hij houdt niet van fruit en hij eet nooit groente. Daar krijg je een slappe buik van. Dat is kost voor witte mensen... ' Xhosa's kunnen niet tuinieren, ' fluistert Eva alsof Elias het niet horen zal, ' ze weten alles van vee, kennen elk dier aan zijn vel maar ze kunnen nog geen appel van een peer onderscheiden.' Het valt me op dat Eva weer in de oude taal vervalt. Als we om haar huis lopen, de zesentwintig kamers tellen en onze gezicht tegen het venster van de voorsitkamer drukken waar alleen die Grandmense mochten zitten en waar zelfs de bedienden geen toegang hadden omdat daar het zilver werd bewaard, praat ze weer over 'die volk' en 'bantoes' en over 'outa' Dawid, een term die jonge mensen zelden gebruiken en die over het algemeen door bruine mensen niet meer op prijs wordt gesteld.

De blijheid is van haar gezicht verdwenen. De wilde twakbomen zijn omgekapt, de klipstoep is verbreed en gedeeltelijk van beton, de valleien zijn in cultuur gebracht en de kralen met koemestmuren zijn niet rond meer maar vierkant en van kil staaldraad. Er zijn schuren bijgebouwd en nieuwe huisjes voor het personeel, groter, maar toegesmeerd met lelijk grijs cement.' Vroeger kon je hun baby's horen huilen en elkaars lach over en weer', zegt Eva. Nu liggen de huisjes verderop en missen de schaduw van de eucalyptusbomen. In de winkel waar het plaasvolk tegen kostprijs kleren en eten kon kopen staat nu een rode traktor. De oude ploegen liggen ergens achter op de vaalt. Eva schudt aanhoudend met haar hoofd. Elias schudt mee. Ze pakt een blauwe steen en stopt hem in haar tas.' Kom, we gaan, ik word hier heel droevig.' ' Je hebt me nooit verteld dat er ook zwarte mensen op Swaelvlei werkten, ' zeg ik.' Er waren er zo weinig dat ik ze helemaal was vergeten.' Elias had nog graag de jerrycan met ons leeggedronken, maar Eva's stemming is niet naar plezier, en de lucht ziet er te nat uit voor dorst. We nemen afscheid en rijden naar de bijenkorven; ook weg. De Engelsman heeft er nu een stinkende kippenren gebouwd.' Mijn pa hield ook kippen, ' zegt Eva, ' daar zorgde een bantoejongen voor, een voorkind van Elias of een neef, ik weet het niet meer, ze woonden allemaal zo door elkaar.'

Ze start de auto weer en zegt boven gekakel en geraas: ' Ik zou veel van wat er in mijn familie gebeurde willen vergeten. Ik ben niet overal trots op. Er zijn zoveel dingen waar ik me voor schaam.' Die kippenjongen was trots en brutaal. Hij keek altijd naar ons meisjes op een manier die onzeker maakte.

Mijn Pa had hem daar een paar keer over aangesproken. Er was een soort afspraak dat zwarte mannen je niet in de ogen keken; die jongen deed dat wel, recht in onze ogen. Hij had niets onderdanigs zoals de kleurlingen.' Hij was er trots op nog nooit door een blanke geslagen te zijn. Mijn zusje en ik vonden hem eng en spannend tegelijk. Mijn vader en de bijwoner die we toen hadden, oom Connie, een beetje zielige man die dronk, hadden een hekel aan hem. Erg goed voor de kippen zorgde de jongen niet. Er gingen er steeds dood, we vonden ze doodgebloed in het hok. Niemand wist hoe het kwam. Een slang? Maar dan een die ze niet opvrat. Die jongen, ik weet echt niet meer hoe hij heet, had al een paar keer op zijn kop gekregen, maar de kippen bleven sterven. Tot oom Connie zich een keer 'snachts in het hok liet opsluiten toen mijn Pa en Ma voor een week naar de Kaap waren. Hij heeft die jongen betrapt: het bleek dat hij die kippen eh... gebruikte. Hij duwde ze van achter op zijn geslacht en gooide ze na zijn gerief weg.' Oom Connie heeft die jongen naar buiten gesleurd en onder veel kabaal afgetuigd. Het was al laat, maar we werden er allemaal bijgeroepen. Dawid, Tiek, Bokkie, Awie, mijn broers, zusje, en Catherine, de kindermeid. Al zijn haren werden uit zijn hoofd getrokken, en toen er geen haar meer op zijn hoofd zat ook zijn wenkbrauwen en het haar tussen zijn benen. Die jongen gilde het uit. Mijn grote broer moest op bevel van oom Connie de jongen aan de ezelskar vastbinden, zijn enkels aan het achterwiel, zijn polsen aan het voorwiel. Wij kleintjes klitten tegen elkaar. Ik keek niet meer, hoorde alleen het geschreeuw. Connie trok een mes en sneed zijn teelballen eraf. Niemand stak een hand uit. Dagenlang hoorden we het gekreun uit een van de huisjes.' ' En jullie deden niets.'

'Toen mijn Pa het hoorde was hij woedend, geloof ik. Mijn Ma trok zich een week terug in gebed. Maar oom Connie bleef bij ons wonen en die jongen is zodra hij goed en wel kon lopen, vertrokken. Er is nooit meer over gesproken, je accepteerde het. Die jongen was te hooghartig en hooghartigheid dient gestraft. Dat stond in de bijbel. Ja, dat was het enige dat mijn Pa er aan tafel over heeft gezegd, dat zondaars ook in de bijbel zo werden gestraft. Wat in de bijbel stond aanvaardde je, dat je nederig moest zijn, nooit mocht liegen, dat je je best op school moest doen. We werden gevormd naar de bijbel, als een stuk klei. Je moest wel heel stevig zijn om aan die knedende hand te kunnen ontsnappen.' Het merkwaardige was dat mijn broers toch trots op oom Connie waren. Ik ook misschien. Nu niet meer, maar toen maakte het enorme indruk. Een jongen die ons uitlachte, die te hooghartig was tegen zijn baas, kreeg voor zijn leven een litteken dat hem eraan herinnerde dat hij zijn plaats moest weten. Mijn broers gingen dat gedrag naapen, ze liepen met een mes rond. Mijn vader heeft toen streng moeten ingrijpen en alle messen op de plaas ingenomen. Niet lang daarna zijn de Xhosa's verdwenen.'

'Elias ook?' ' Weet ik niet meer.' ' Hij lijkt zonder wrok.' Eva lacht bitter. ' Eens zullen we om deze dingen gestraft worden, wij en onze kinderen tot in het derde en vierde geslacht. Van Wijk Louw heeft het allemaal al in een gedicht gezegd: Moet ek vir iemand iets nog sein hierdie landwat luid van alle stemme isen blink en brand?of, waar die goue lug al lankdie aasvoel dra, koud 'n gedoemde waarheid weetwat niemand vra?' Een uur ten zuiden van Swaelvlei, voorbij het stationnetje van Merriman, waar Eva vroeger op warme zaterdagen meehielp ratten schieten, zit een echo in de bergen. Plaaswerkers luchten er nog weleens hun hart als ze dronken van de bottelstore komen. Dan zingen ze liefdesliedjes tegen de bergen. Oom Hansie kan er al zestig jaar om lachen, maar als het lawaai hem 'snachts te erg wordt schiet hij een losse flodder in de lucht, een knal die in tienvoud terugkaatst. Hansie is al in de tachtig, een verre neef van Eva's vader. Hij was altijd de naaste buur, een 'alleenloper', nooit getrouwd, boerend op een kleine plaas en rechterhand in oogsttijd op Swaelvlei. Hij hoorde bij de Landman's, er werd altijd voor hem gedekt, soms zat hij er, soms weer dagen niet.

Hansie zet meteen de whisky op tafel. Hij is blij zijn Karoobossie te zien. Hansie heeft een boekenkast en gaat door voor 'tamelijk geleerd'. Eva's studie heeft hij altijd door dik en dun verdedigd. Zij is zijn trots.' En hoe bevalt het oom Hansie naast de Engelsman?' vraagt Eva.' Ik groet hem', Hansie kijkt Eva met een gemeen lachje aan. ' Mijn vader zou zijn tong afbijten, maar ik groet hem, op z'n Engels.'

Hansie gaat er goed voor zitten, over de Engelsen heeft hij lang nagedacht: ' Ze hebben ons terug op de kaart gebracht. Zonder hen zou het Afrikaner nationalisme nooit zijn ontstaan. Doordat de Engelsen onze taal probeerden uit te wissen, werden we ons ervan bewust dat we een eigen in Afrika geboren taal spraken.' Toen de Engelsen begin vorige eeuw de Kaap-kolonie overnamen en de boeren aan de Oostgrens vernederden en betuttelden, zijn we weggetrokken en hebben we nieuwe republieken gesticht. Ze wilden toen de slavernij afschaffen zonder de eigenaars voor het verlies schadeloos te stellen. Ze hingen onze Boerenleiders aan de galg en belemmerden ons in onze godsdienst. Wij waren een van de eerste volken die zich tegen het Britse imperialisme verzetten. Met de Grote Trek hebben we de grenzen van het land verlegd. Zonder Afrikaners was Zuid-Afrika niet groter dan de Kaap.' Oom Hansie schenkt zich nog eens in. Als zoveel mannen van zijn generatie is hij doordrenkt met de geschiedenis van zijn land. Voor hem is de Afrikaner geen gewoon mens, maar een geroepene over wie een vreemdeling niet oordelen kan. Zijn geschiedenis is niet met gewone maten te meten. Oom Hansie verdedigt de zaak van zijn volk met overtuiging. Hij verwart mij want hij roept sympathie op, maar het is de sympathie voor een heldhaftig verleden. Kin omhoog, nog een slok, zijn geweer in de hoek, oom Hansie de Voortrekker, de Boerengeneraal.

Hansie's vader vocht in de Boerenoorlog, in een klein leger van drieenveertig man, ergens in het noorden van de Vrijstaat. Het waren allemaal jongens uit de Karoo. Ze trokken naar de Vrijstaat om te vechten voor het behoud van de vrije republieken. Hun voorouders hadden destijds het bemoeizuchtige Kaapse schiereiland verlaten, nu kwamen zij de mannen te hulp die nog meer aan hun vrijheidsdrang hadden toegegeven en ze waren niet van plan de grond waar zovelen hun leven voor lieten op te geven. De jongens werden omsingeld door negenhonderd Britten. Na drie dagen vechten waren er nog vier boerenzonen over. ' Mijn vader zat een half jaar in een Brits concentratiekamp. Vergeven kon hij de Britten wel, vergeten kon hij het nooit. Hij stuurde ons allemaal naar een Engelse school in Port Elisabeth. 'Jullie zijn Afrikaners', zei hij, 'ik heb jullie geleerd ze te haten, maar ze zullen hier nooit meer weggaan. Wij moesten ze doodschieten, jullie moeten er mee leren leven.' En dan te bedenken dat mijn vader in de Kaap op school geen Afrikaans mocht praten, alleen hoog-Hollands, wie het toch deed kreeg een pak slaag.' Daarom groet Hansie zijn buurman. Maar dat wil niet zeggen dat hij van hem houdt. Hij vindt alle Engelsen huichelaars: ' Blink in die mond, maar skelm in die derms'.

En hij niet alleen: ' Als het erop aankomt kiezen de zwarten en de bruinen onze kant. Ze weten wat ze aan ons hebben.' ' De Engelsen doen minder racistisch', zeg ik als ik na drie glazen whisky iets van mijn Hollandse directheid herwin. ' Praat met bruin en zwart en je zult anders horen', zegt oom Hansie. ' Ken je die mop van die kleurling die bij een Afrikanerboer aan het hek komt bedelen? Nog voor hij om een hap eten heeft gevraagd, scheldt de boer hem al zijn huid vol, 'Jij hotnot, jij leegloper'. Hij trapt hem naar de keuken waar hij een bord eten krijgt. Dan komt de kleurling bij een Engelse boer. De man luistert naar zijn verhaal, schudt zijn hoofd, pakt een zakdoek, huilt een traantje mee en zegt dat hij het verschrikkelijk vindt. 'Ik leef met je mee', zegt hij, 'maar sorry, ik kan je niet helpen'. Hij leidt hem beleefd het erf af en doet het hek achter hem dicht, zonder dat de bedelaar een korst brood heeft gekregen. Dat is het verschil tussen de Afrikaners en de Engelsen.' ' De jonge zwarten haten de Afrikaners!' zeg ik. ' De grote Soweto-rellen braken uit omdat ze op school geen Afrikaans wilden leren.' ' Ag', rochelt Hansie geergerd. ' De zwarten zijn ons nou eenmaal vreemd. Ik boer hier vanaf mijn tweeentwintigste en ik heb altijd wel een paar zwarte knechten gehad. Ik spreek zelfs een paar woorden Xhosa, maar ik heb ze nooit begrepen.'

Eva knikt heftig: ' Ik wil de zwarte mensen wel begrijpen, ik doe mijn best, maar soms denk ik dat we op twee verschillende planeten wonen. Mijn Sophie begrijpt niet dat je voor een telefoon moet betalen. Ze snapt niet dat elektriciteit geld kost. Ze laat de hele dag een ketel water koken. Ze denken dat ze alles in de schoot geworpen krijgen.' ' Eva alsjeblieft', zeg ik. Maar Eva is niet meer te houden.' Vorige week vroeg Sophie of ze geen opslag kon krijgen, ze zei: 'Ik kan geen nieuw schooluniform voor mijn kind kopen'. 'Mom, wat verschrikkelijk', zei ik, 'maar ik betaal je al meer dan iedereen. Heb je vorige week wijn gekocht?' 'Ja Madam', zei ze. Ze keek als een schuldig kind naar de grond. Ze koopt elke week 2,5 liter van dat bocht, anders kan ze niet slapen, zegt ze. 'En de week daarvoor?'. 'Ook Madam'. Ik zeg: 'Als je iets wilt hebben dan moet je ervoor sparen, Mom. Je moet jezelf iets ontzeggen. Ik moet ook voor vakantie sparen en voor een nieuwe auto leef ik een jaar zuinig. Zij wil alles meteen. Ik probeer haar van mijn idealen en opvattingen te overtuigen. Maar langzamerhand geloof ik niet dat het echt zin heeft. Ik moet leren haar te accepteren zoals ze is. Niet als wij. Er is altijd een muur tussen ons. Daarachter zit een vreemde. Je kan je best doen de zwarten te begrijpen, maar kennen doe je ze nooit.'

' Waarom noem je Sophie eigenlijk Mom?', vraag ik.' Gewoonte', zegt Eva stuurs.' Je houdt toch veel van haar?' ' Ze is aan een zwarte borst groot geworden', zegt oom Hansie. ' Aan een bruine borst', snauwt Eva, ' Catherine was een Xhosa-vrouw met bruin bloed. In de Karoo is iedereen verbasterd.' Zwart... bruin... een nuance die op deze reis zo belachelijk belangrijk is geworden. Overal trekken mensen hier grenzen. Elk verschil telt, tussen Boer en Brit, dorpskind en plaaskind, tussen die van Afrika en die van Overzee. Al het vreemde wordt apart gezet en krijgt regels voor de omgang.

Vandaag is Eva een vreemde voor mij. Apartheid besmet.

Wat gebeurde er met die zwartbruine borsten? Ze voedden ook Eva's jongere broer en zus. Want Eva's moeder - altijd maar biddende, biddende - gaf haar kinderen maar half.

Ze was van de ene dag op de andere verdwenen', zegt Eva, ' ze zou nog een taart voor me bakken.' ' Waarom ging ze weg?' ' Ze moest naar haar mensen.' ' Is het je uitgelegd?' ' Nee. Een Landman klaagt niet over zijn bediendes.' ' Hoelang was ze bij jullie?' ' Ze heeft me tot mijn zesde opgevoed.' ' En toen was ze weg?' ' Op de dag voor mijn verjaardag. Ik heb haar jarenlang gehaat.' Weer komen de tranen bij Eva. Ik schaam me voor alles wat ik haar deze dagen kwalijk nam. Zij vertelt het verhaal dat ik al van zoveel Afrikaners heb gehoord, kinderen die hun zwarte moeders van de ene op de andere dag uit hun leven zagen verdwijnen. Ze praten er koel over, onverschillig, vaak weten ze niet eens meer haar naam. Op school steunen de kinderen elkaar in dat gemis door verschrikkelijke verhalen over zwarten en kleurlingen te vertellen. Want koken ze geen vreemde brouwsels, roepen ze geen voorouders en geesten op? Ze stelen je nagels, je haar en ze betoveren je. Een wit kloppend hart brengt zwarte mannen geluk. Zo overschreeuwen ze met gruwelverhalen het verlies van een zwarte moeder.

Eva scheurt als een woesteling over het pad langs de bergen. Oom Hansie's afscheidsschot echoot met ons mee.

Als ze later rustig rijdt: ' Begrijp ons alsjeblieft niet verkeerd. Er bestaat ook werkelijke vriendschap. Mijn Pa had een knecht, Jolly Boy, zwart als de schoen van een Broederbonder. Ze hebben samen tot ver in Afrika gejaagd, tot aan de Victoria-watervallen. Jolly Boy was slim, hij kon de tractor besturen. Op een dag viel hij dronken van de paardekar en brak zijn nek. Pa heeft hem naar Port Elisabeth gereden, als een stofduivel over de paden. Jolly Boy is in het ziekenhuis gestorven. Mijn pa heeft dagen vreselijk gehuild. Hij was een ware vriend.' Ik zwijg.' Je gelooft me toch wel?' ' Ja Eva.'

Voorjaar 1990 bezocht Adriaan van Dis Zuid-Afrika. Met zijn oude vriendin Eva Landman reisde hij naar de Karoo, het grote binnenlandse plateau in het noord-oosten van de Kaapprovincie, waar de Afrikaner familie Landman al tweehonderd jaar worstelt met de dorre bodem. Derde aflevering in een serie over blanke Zuidafrikanen in tijden van verandering. Terug naar Eva's geboortegrond, naar Swaelvlei waar de blauwe hemel het leven bijna platdrukte.

    • Adriaan van Dis