'De gemiddelde Nederlander heeft een conditie als een oudekraint'; Inspanningsfysioloog Harm Kuipers

Harm Kuipers (42) werd in 1975 wereldkampioen schaatsen. Sindsdien werkt hij als arts en inspanningsfysioloog aan de Rijksuniversiteit Limburg. Kuipers geldt als een gezaghebbend deskundige met duidelijke opinies over lichaamsoefening en topsport. Een gesprek over de gevolgen van een sportcarriere, over de noodzaak van beweging, over blessures en doping. 'Van regelmatig bewegen word je niet ouder, maar de kwaliteit van het leven wordt wel beter.' 'Wat mij in mijn werk op de universiteit trekt, is de competitie. Nu erbezuinigd wordt, moet je concurreren met andere instituten. Wie hetmeest publiceert en presteert, mag blijven. Het is die vorm van constantecompetitie die ik ook in de sport altijd zo boeiend heb gevonden.' Harm Kuipers oogt nog even fit als vijftien jaar geleden, toen hij op het hoogtepunt van zijn sportcarriere stond. Een mager gezicht boven een getraind lichaam dat moeilijk kan stilzitten. Wat ook gebleven is: die uitstraling van ongecompliceerde blijmoedigheid - de held uit het jongensboek, niet bang voor het avontuur, maar toch altijd voor het donker thuis om zijn boterhammen te eten.

Hij is een van de weinige ex-topsporters die door de media niet vergeten zijn. Een Bekende Nederlander: televisie en radio laten hem regelmatig opdraven, op de opiniepagina's duikt hij af en toe op met helder geschreven stukken over actuele sportaffaires. ' Soms gebruik ik mijn naamsbekendheid bewust', zegt hij, ' zoals toen ik voor jullie een stuk over de celtherapie schreef. Dan vind ik het nodig dat er met kracht gewaarschuwd wordt.' We praten op zijn werkkamer in het Biomedisch Centrum van de Rijksuniversiteit Limburg in Maastricht, waar hij als hoofddocent van de vakgroep fysiologie aan verbonden is. ' Ik geef onderwijs en ik doe research. Ik hou me vooral bezig met inspanningsfysiologie. De mensen denken dan altijd aan sport, maar het gaat om veel meer. Zo hebben wij ook te maken met patienten die spierafwijkingen hebben door stofwisselingsproblemen. Inspanning kan bij voorbeeld een gunstig effect hebben op diabetici die te zwaar zijn. ' Ik richt me vooral op overbelasting van de skeletspieren. Ik doe al een poosje research naar rhabdomyolyse, een ernstige, zelfs levensgevaarlijke spierbeschadiging waarvan overmatige inspanning een van de mogelijke oorzaken is. Het kan optreden bij mensen - bij voorbeeld militaire recruten - die plotseling aan een te zware belasting worden blootgesteld. Het kan ook sporters, zoals marathonlopers, overkomen die de grens van hun mogelijkheden passeren. In de dierenwereld - de paardensport - komt het vaker voor.'

Heeft u zichzelf wel eens onverantwoord geforceerd tijdens uw schaatscarriere?' Bij het wereldkampioenschap van 1974 in Inzell. Ik stond na drie afstanden eerste in het klassement. Op de 10 km was de Noor Sten Stensen die tweede stond, mijn directe tegenstander. Ik mocht maar vier seconden op hem verliezen. Aangezien hij de betere stayer was, kon ik maar een taktiek toepassen: hem het initiatief laten en bij hem blijven. Dat heb ik tot een ronde of vier voor het einde kunnen volhouden. Toen was ik kapot. ..ik ben nog nooit zo kapot geweest. Mijn vrouw zat in de bocht en zei later dat ik op een bepaald moment helemaal scheel keek. Met het snot voor mijn ogen heb ik de race uitgereden, maar het verschil was zeven seconden. Toen heeft het wel even geduurd voor ik weer bij was gekomen. ' Het jaar daarop werd u alsnog wereldkampioen. Toch gold u niet als een natuurtalent a la Ard Schenk en later Eric Heiden. Was uw mentale kracht doorslaggevend?'

Lichamelijk talent had ik iets minder dan Schenk, maar het was wel degelijk aanwezig. Bij testen op de fietsergometer bleek ik een vermogen te hebben dat ver boven het gemiddelde lag. Er waren maar weinig topsporters die dat konden evenaren. Maar het mentale aspect is aan de top inderdaad heel belangrijk. De eerste vijf - dat zijn fysiek de sterksten. De volgorde van die vijf wordt niet door fysieke, maar door mentale factoren bepaald. De slimste of de stabielste kan best de eerste worden, ook al is hij fysiek de vijfde. En een superkampioen krijg je als het samengaat, zoals bij Heiden: die was zeer slim en fysiek een van de sterkste sportmensen die er ooit geweest zijn.' Ik schaatste heel bewust, ik probeerde van alles te profiteren. Ik heb daar, eerlijk gezegd, ook mijn wereldtitel aan te danken. Ik had gemerkt - ik lette daar altijd scherp op - dat de starter in Oslo naarmate de 500 meter vorderde, steeds coulanter werd tegenover valse starters. Ik dacht: een valse start kan ik best riskeren. Dat heb ik gedaan en hij schoot me inderdaad niet terug. Ik werd derde op die 500 meter, iets wat me nog nooit was gelukt.'

Vond u dat wereldje van de topsport niet te eenzijdig?' Daarom nam ik altijd mijn studieboeken mee naar het trainingscentrum. Van een heleboel zaken hield ik me een beetje afzijdig. Mijn studie medicijnen stond voorop. Ik heb mijn tentamens altijd op tijd gedaan. Als we van de baan kwamen, ging ik op mijn kamer studeren. Een kaartje leggen - dat is mijn aard niet. Ik moet bezig zijn, ik wil uitgedaagd worden. Ook als onderzoeker word ik gedreven door grote nieuwsgierigheid. Het laat me niet los, ik ben er eigenlijk dag en nacht mee bezig.' U was een opvallende laatbloeier: op uw 27ste wereldkampioen.' Ik ben pas op mijn 18de met wedstrijdschaatsen begonnen! Twee jaar later begon ik nationaal door te breken. Ik heb een vreemde weg gevolgd. Ik kom uit een arbeidersgezin in Norg, mijn vader is electricien. Er moest hard gewerkt worden. Mijn vader vond het goed dat ik ging studeren, maar hij zei wel: als je je best niet doet, krijg je een schop en een broodtrommeltje en dan kun je voor jezelf gaan zorgen.' Ik was aanvankelijk een onopvallende leerling op de ULO, pas op mijn eindlijst haalde ik hele hoge cijfers. Toen de kweekschool: een hoofdonderwijzer behoorde toen nog tot de dorpsnotabelen. Maar al na het eerste uur hospiteren voor de klas, wist ik dat ik dit niet wilde: me mijn hele leven druk maken over de d en de t. Ik wilde geneeskunde studeren, maar ik had geen HBS. Leen Pfrommer, inmiddels schaatstrainer van het gewest, heeft een heel belangrijke rol in mijn leven gespeeld. Die stimuleerde me om naar de avondschool te gaan en staatsexamen te doen.'

In Groningen was ik geen lid van de studentenvereniging. Ik ging 'savonds niet naar de kroeg. Als schaatser ben je twee uur per dag kwijt aan training. Mijn verloofde schaatste ook, we trainden samen. Studie is goed te combineren met topsport. Het is een verarming van jezelf als je alleen maar met sport bezig bent. Je zit in een klein wereldje, je ontplooit je verder niet.' Heeft die sportcarriere de rest van uw leven beslissend beinvloed?' De invloed is groot geweest. Het was in de eerste plaats erg karaktervormend. Ik was vroeger heel onzeker, maar dank zij het schaatsen werd ik zelfbewuster en kreeg ik meer inzicht in mezelf. Het succes in het schaatsen heeft me ook maatschappelijk geholpen. Ik zeg altijd: een medaille voegt een sterretje aan je diploma's toe. Je valt er net iets meer door op. Toen ik hier solliciteerde, kreeg ik al enkele dagen later een uitnodiging. Ik was toen net wereldkampioen geworden, dat heeft zeker geholpen.' U stopte op uw hoogtepunt, wat maar weinig topsporters doen.' Een heel bewuste keuze. Ik had het tevoren aangekondigd: of ik nou eerste of vijftiende word, na 1975 stop ik; ik ga afstuderen en probeer een baan te krijgen. Ik heb daar nooit spijt van gehad.

Het enige wat ik achteraf betreur, is dat ik me in 1972 om studieredenen heb afgemeld voor de Olympische Winterspelen in Sapporo.' Tegenwoordig bereiken topsporters steeds jonger de top. Wat vindt u van die trend?' Ik ben daar een fervent tegenstander van. Lichamelijk kunnen ze het wel aan, maar mentaal nog niet. De praktijk leert dat topsporters over het algemeen het drie tot vijf jaar aan de top kunnen volhouden. Daarna wordt het heel moeilijk om de motivatie te blijven opbrengen. Dat betekent dat een jonge topsporter die op zijn 15de al goed is, op zijn 19de problemen met zijn motivatie krijgt. Maar voor velen moeten dan - fysiek gezien - de beste jaren nog aanbreken. Al die jongeren die zo rigide bezig zijn met hun sport, krijgen er snel genoeg van en stoppen. Borg was er een voorbeeld van, Becker begint al te klagen, Bettine Vriesekoop vertelt dat ze nu pas relaxt speelt.' Heeft dat ook niet te maken met de rol van de ouders die hun kinderen te veel opjutten?' Dat is nooit goed. Ik heb drie kinderen en ik heb ze op sportgebied altijd volledig vrijgelaten. De funeste invloed van ouders heb ik al in mijn studententijd gezien toen ik een club trainde. De beste plaats voor de ouders is op de tribune, en liefst buiten gehoorsafstand van hun kinderen. Met de training moeten ze zich absoluut niet bemoeien. Als ze talent en motivatie hebben, komen die kinderen er toch wel. Er wordt door ouders meer talent verpest dan gestimuleerd.' Voor wie het maar horen wil, treedt Kuipers steeds weer op als onbezoldigd advocaat van 'de beweging'.

Bewegen is nuttig en nodig. Wie regelmatig beweegt, gaat een beter leven tegemoet - dat is zijn credo. Waaruit blijkt dat bewegen nodig is?' Een van de basisregels van de natuur is dat elk organisme zich aanpast aan datgene wat van hem gevraagd wordt. Dat geldt voor het hart, botten, gewrichten, banden, spieren. Niet-gebruik leidt tot versnelde slijtage. Zo kun je gewrichten op twee manieren naar de knoppen helpen: of door ze extreem te belasten, of door ze niets te laten doen. Wij zijn ontstaan in de natuur, wij moesten ons met lichamelijke inspanning in leven houden, dus is ons lijf gebouwd om het te gebruiken. ' Ons skelet groeit ongeveer tot ons 25ste jaar, daarna begint het verval. Als je het al vanaf je jeugd verwaarloosd hebt - dat kan ook door slechte voeding - dan is de botmassa niet groot, en loop je op hogere leeftijd het gevaar broze botten te krijgen die gemakkelijk kunnen breken. Dat is het schrikbeeld van de toekomst: bejaarden van zestig, zeventig jaar die nauwelijks uit hun stoel kunnen komen. Bij iemand die zich regelmatig inspant, gaat het verval van het skelet veel minder snel. Zo iemand blijkt ook een lage bloeddruk en een laag cholestorolgehalte te hebben en heeft daardoor minder kans op hart- en vaatziekten. Er is ook een bepaald type diabetes dat vooral veroorzaakt wordt door een zittende leefwijze met te veel voeding. Mensen die veel bewegen, zijn bovendien stressbestendiger en slapen doorgaans beter.

Toch zijn er veel hoogbejaarde mensen die nooit aan sport hebben gedaan... ' Jawel. Van regelmatig bewegen word je niet ouder, maar de kwaliteit van het leven wordt wel beter. Ik doe liever zelf mijn boodschappen als ik boven de zeventig ben.' Verwaarloost de gemiddelde Nederlander zijn conditie?' Schromelijk. De gemiddelde Nederlander heeft een conditie als een oude krant. Als ik de mensen zou testen, zou dat heel slecht voor ze uitvallen. Het groepje dat je buiten ziet joggen, is maar een zeer dunne bovenlaag. Ik denk dat nog geen tien procent van de bevolking voldoende beweegt.' Wat is precies de norm voor voldoende beweging?' De aanbeveling is dat je drie keer per week een lichamelijke activiteit moet doen, waarbij je hartfrequentie boven de 130 slagen per minuut komt gedurende minimaal tien minuten. De effecten zijn optimaal als je een hartfrequentie van 150 tot 160 slagen per minuut bereikt, maar de gunstige effecten beginnen al vanaf 130. Dat laatste kun je al bereiken door drie tot vier keer per week een uur stevig te wandelen, zo'n zes kilometer. Je hoeft dus niet per se te gaan hollen.' Maar als ik veel van die joggers zie puffen - dat kan toch niet gezond zijn?' Voor hart en vaten maakt het niet uit, want die worden even zwaar belast als ze heel soepel zouden lopen. Maar hardlopen heeft wel een aantal nadelen. Het is een schokkende beweging, er komen forse krachten op de gewrichten terecht. Wie niet atletisch gebouwd is en bovendien slecht schoeisel - zonder schokdemping - gebruikt, loopt snel blessures op. Die mensen kunnen beter gaan wandelen, zwemmen of fietsen. Fietsen is zelfs mogelijk voor mensen die gewrichtsproblemen hebben, omdat er maar geringe krachten op de heupen komen.' Sporten is gezond, zegt u, maar hoe is dat te rijmen met die golf van blessures - in Nederland zo'n miljoen per jaar?'

De meeste blessures ontstaan bij voetbal en hockey, dat zijn de meest risicovolle contactsporten. De deelnemers zijn vaak onvoldoende getraind en gaan er dan op zondag flink tegenaan. Trimmen veroorzaakt veel minder blessures. Maar als ik die blessures tegen de positieve effecten afweeg, hebben de laatste toch de overhand.' Neem uzelf: heeft u blessures aan uw carriere overgehouden?' In het begin van mijn schaatscarriere zijn de kruisbanden van een knie erg beschadigd geweest. Dat heb ik door een val tijdens het schaatsen opgelopen. Mijn knie kan nu een heleboel hebben, maar ik moet geen onverwachte draaibewegingen maken. Tennissen en voetballen zou ik niet meer kunnen. Om die reden ben ik ook voor militaire dienst afgekeurd. Verder heb ik er niets aan overhouden... eh, nee, dat moet ik niet zeggen. Ik heb inmiddels rugklachten gekregen en die hebben waarschijnlijk met het schaatsen te maken.' Wanneer heeft u die gekregen?' Twee jaar geleden. Ik heb artrose in het borstwervelgebied, iets heel ongebruikelijks bij iemand die geen zwaar lichamelijk werk doet. Ik wijt het aan het feit dat ik vroeger bij de schaatstraining veel springwerk heb gedaan, waardoor de wervels eenzijdig belast werden. Er zijn meer ex-schaatsers met rugklachten. In de zomer, als er geen ijstraining was, maakte je veel schaatssprongen, ook nog vaak met gewichten. Het gebeurt nu ook minder. Ik vermoed dat ik er de rest van mijn leven af en toe last van zal blijven houden, maar het is niet invaliderend.' Er zijn veel ex-voetballers die half invalide zijn door slechte knieen.' We hebben in Maastricht een onderzoek gedaan bij oud-profvoetballers.

Toen bleek dat er vooral in de begintijd van het profvoetbal kwistig met corticosteroiden (hormonen) was gespoten in geblesseerde knieen. Dat spul werkt als een sluipmoordenaar, het verdoezelt de symptomen en het schadelijke proces gaat door. Bovendien speelden ze vaak door nadat de meniscus was verwijderd, terwijl we nu weten dat een knie-zonder-meniscus een minderwaardige knie is.' Het is mij opgevallen dat er de laatste tijd nogal wat jonge (ex-)topsporters zijn overleden.' Ja, dat is een veelbesproken onderwerp in ons wereldje. We hebben de gevallen gehad van de wielrenners Bert Oosterbosch en Johannes Draaijer, die 's ochtends plotseling dood in bed lag. Dan de wielrenster Connie Meijer die tijdens een wedstrijd overleed... Ik denk dat het in de meeste gevallen niet direct met de sportbeoefening heeft te maken. Inspanning heeft een gunstige invloed op de ontwikkeling van hart- en vaatziekten, maar het is geen absolute bescherming. Als je zo'n afwijking hebt, kan de sport het tijdstip van een attaque misschien uitstellen, maar niet voorkomen. Het zijn vaak erfelijk bepaalde risico's.' Een andere belangrijke oorzaak is een ontsteking van de hartspier die na elke virusinfectie kan optreden. Connie Meijer had zo'n ontsteking. Dat geneest vanzelf, maar topsporters hebben soms de neiging de draad te snel weer op te vatten. Ik heb begrepen dat zij met koorts op de fiets is gestapt.' De KNWU is een onderzoek begonnen om na te gaan of die gevallen met de sport te maken hebben. Wat er toe zou kunnen bijdragen, is het gebruik van anabole steroiden en andere hormonen. Die kunnen op de hartspier werken.' Zes jaar geleden was Kuipers plotseling het middelpunt van een sportmedische rel over het gebruik van anabole steroiden. Blijkens een interview in het blad Schaats zou hij als eerste Nederlandse arts voorstander zijn van toediening van anabolica aan sportlieden. Zijn gezicht verstrakt als ik erover begin. ' Ik heb met de pers altijd goede ervaringen gehad', zegt hij, ' maar toen ben ik op een vreselijke manier geflikt.

Een nooit uitgezonden radio-interview met mij verscheen plotseling in druk. De tekst was aangescherpt en de context veranderd door een journalist, die ik helemaal niet gesproken had. Er ontstond een rel over dingen die ik zo helemaal niet gezegd had. ' Ik heb toen op de theoretische mogelijkheid willen wijzen dat je met lage doseringen steroiden het herstel van topsporters zou kunnen bevorderen - iets wat later trouwens onjuist is gebleken. Maar ik ben nooit voorstander geweest van het gebruik van anabolica of andere middelen.' Uit een artikel van u in NRC Handelsblad bleek dat u aan de schuld van Gert-Jan Theunisse in zijn doping-affaire twijfelt. Waarom?' Theunisse is een paar keer achter elkaar positief bevonden, en ik denk dat een professional dat zal trachten te voorkomen. Ik vermoed dat hij het slachtoffer is geworden van een van de onvolkomenheden in de dopingcontrole. De controle op anabolica is niet waterdicht en vertoont gebreken waardoor mensen ten onrechte positief kunnen worden bevonden. Ik denk dat dat bij Theunisse het geval is. Wij zijn juist deze week opnieuw benaderd door adviseurs van Theunisse met het verzoek om na te gaan of zijn lichaam door een andere hormoonhuishouding afwijkend reageert. Als er iets valt recht te zetten, willen wij dat graag doen.' Wat vindt u van het standpunt om doping gewoon toe te staan?' Aan een kant is daar iets voor te zeggen: de meeste van die middelen bewerkstelligen niet het beoogde effect. Het is nep, ze ontlenen hun werking aan het placebo-effect. Ik heb renners op gestampte muisjes de sterren van de hemel zien fietsen in de veronderstelling dat ze op doping reden. Anabolica hebben op gewichtheffers effect, maar wielrenners hebben er nauwelijks iets aan. Hetzelfde geldt voor amfetaminen: wie daarmee een tijdrit rijdt, zal zelfs slechter presteren.' Toch ben ik er tegen om het vrij te geven. Een groot aantal van die middelen is potentieel gevaarlijk. Ik zou het dopingprobleem als volgt willen aanpakken. Uitgebreide voorlichting aan de sportmensen.

Voer eventueel experimenten uit met henzelf als proefpersoon. Handhaaf de dopingcontrole, maar verander de lijst want er staan nu spullen op - opiaten - waarvan je alleen maar in slaap kunt vallen, terwijl enkele werkzame stoffen er juist weer niet op staan. Voer de controles uit in de voorbereidingstijd als het gebruik van anabolica nog is aan te tonen.' Het dopingprobleem is nooit helemaal op te lossen, maar we moeten wel beseffen dat het opgeblazen wordt. Kwantitatief is het een randprobleem. Ik ben er nog steeds van overtuigd dat een groot aantal topsporters puur naturel sport bedrijft. Je hoort wel eens zeggen dat je zonder middelen geen topsport meer kunt bedrijven. Onzin! Ook de Tour kun je naturel rijden en winnen: kijk naar Greg LeMond.' Waarom bent u zo fel tegen de celtherapie, waarbij ook sportlieden dierlijke cellen krijgen ingespoten?' De celtherapie kan levensgevaarlijk zijn. Ze berust op flauwekul, er is geen enkel wetenschappelijk bewezen effect. Ik ken Nederlandse topsporters - wielrenners, atleten - die er tijdens hun carriere ernstige problemen door hebben gekregen. Hun hele hormonale systeem was van slag.' Kuipers is geen official in de topsport geworden. ' Ik zit alleen in de medische commissie van de KNSB. Ik wil geen begeleidend sportarts zijn. Als wetenschapper moet ik onafhankelijk blijven.' Hij trimt dagelijks, maar schaatsen is er niet meer bij: de kunstijsbaan van Geleen is tot zijn verdriet 'savonds gesloten. Tot een teamsport heeft hij zich nooit bekeerd. ' Men zei altijd: teamsporten zijn karaktervormend en individuele sporten kweken egoisten. Volgens mij is het andersom. Bij individuele sporten zie je een kameraadschappelijke sfeer, bij teamsporten hoor je vooral: trap hem kapot.'

    • Frits Abrahams