De beelden in China zijn weer aangekleed

PEKING Over twee weken moeten hier de elfde Aziatische Spelen beginnen. Propaganda voor die Spelen beheerst het straatbeeld. De mascotte, het panda'tje Pan-Pan, staat overal afgebeeld, evenals het logo: een Chinese Muur in de vorm van een Romeinse XI, tegelijk de Chinese karakters voor '10' en '1'. Er zijn stadions en hotels gebouwd, wegen opnieuw geplaveid, monumenten schoongemaakt en restauraties versneld. De politie, hier en daar versterkt met burger-'vrijwilligers', tracht de bevolking op de valreep een aantal manieren bij te brengen. Het regent bekeuringen voor spugen, afval op straat gooien, fietsen of lopen waar dat niet mag. Wie de gewoonten van de Chinezen kent, weet dat deze heropvoeding weinig kans van slagen heeft.

Een dergelijke inspanning voor een op zichzelf niet zo belangrijke manifestatie is alleen te verklaren uit de symbolische betekenis die de Spelen voor de Chinese leiders hebben. Hier is een gelegenheid om hun land positieve publiciteit te geven en iets goed te maken van het gezichtsverlies dat China in 1989 in de wereld heeft geleden.

We wandelen over het Plein van de Poort van de Hemelse Vrede, mijn vrouw Maaike, onze Chinese begeleider Zhang, en ik. Hier verpletterden in een Helse Oorlog op 4 juni 1989 de tanks de demonstranten. Zhang is een jonge intellectueel. Hij reageert behoedzaam op onze vragen, maar wijst op verzoek wel aan, waar het geimproviseerde Vrijheidsbeeld heeft gestaan. 'De jongeren willen niet dat oude mensen het alleen voor het zeggen hebben', is zijn enige commentaar, en hij lacht verlegen. Als hij later alleen met Maaike voor de panda's in de dierentuin staat, zegt hij plotseling zonder haar aan te kijken: 'Na de gebeurtenissen van vorig jaar juni hebben we gehoord dat sommige mensen bang voor China zijn'.

Achterdeur

Kort voor die rampzalige vierde juni ontmoetten we een Engelsman die juist na een vijfjarig verblijf uit Peking was teruggekeerd. Het was op het moment dat Gorbatsjov zijn bezoek aan China's leider Deng Xiaoping had gebracht. De demonstraties op het Plein waren toen al zo massaal, dat Deng met zijn gast de Grote Hal van het Volk, die aan het Plein ligt, niet via de hoofdingang kon betreden, maar met de achterdeur genoegen moest nemen. De Grote Hal is een symbool: hier zijn alle belangrijke gasten van de Chinese leiders ontvangen. Toen de Engelsman dit nieuws hoorde, zei hij: 'Nu loopt het slecht af. Deng heeft zijn gezicht verloren tegenover Gorbatsjov, en dat zal hij de demonstranten niet vergeven.' De omstandigheden hebben onze Engelse vriend gelijk gegeven. Het onbedoelde resultaat van het militaire ingrijpen was echter een enorm gezichtsverlies voor de hele Chinese natie. Het betekende het einde van een romance van tien jaar, waarin de wereldpers een overwegend optimistisch beeld van China had gegeven. Zakenmensen, deskundigen en internationale hulp waren toegestroomd, met hoog gespannen verwachtingen. Plotseling was de romance voorbij. Het bloed op het Plein toonde aan dat China niet zo was veranderd als we allemaal graag hadden willen geloven.

De Aziatische Spelen, zo lijkt het, moeten China's nationale gezichtsverlies proberen goed te maken. 'Gezicht' is enorm belangrijk in China. In de ogen van veel Chinezen en niet alleen de leiders is de 'gezichtsbalans' van hun land ten minste even belangrijk als, zo niet belangrijker dan, de betalingsbalans. Voor Westerlingen is dit moeilijk te begrijpen: wij kennen het begrip 'gezicht' in deze zin nauwelijks. De uitdrukking 'je gezicht verliezen' in Westerse talen is volgens sommigen aan het Chinees ontleend. Het Chinese 'iemand gezicht geven' kennen wij helemaal niet. Gezicht is een vorm van 'sociaal kapitaal' (de term komt van de Fransman Pierre Bourdieu). Het is belangrijker in landen als China waar het sociale leven het individuele domineert, dan in onze individualistische Westerse wereld.

De economie als wetenschap gaat van individualistische veronderstellingen uit: de 'onzichtbare hand', tweehonderd jaar geleden door Adam Smith in Schotland beschreven, maakt dat individuen die hun economische eigenbelang najagen toch samen het grootste nut voor de gemeenschap voortbrengen. Het verzamelen van sociaal kapitaal past niet in deze redenering. De Westerse economische wetten gaan in een land als China daarom maar zeer ten dele op.

Ondanks China's gezichtsprobleem geeft het leven in Peking en in de andere Chinese steden die we gezien hebben, niet de indruk dat het 't land economisch slecht gaat. De economische liberalisatie die in 1978 is begonnen en die uiteindelijk tot de roep om politieke vrijheden leidde, gaat voorzichtig door en lijkt niet terug te draaien.

Ik had Peking gezien in 1981, en de stad is onherkenbaar veranderd. Dit geldt zowel voor het stadsbeeld met zijn autobanen, luxe hotels en torenflats, maar ook voor het gedrag van de mensen. De blauwe of grijze broeken en witte bloezen van 1981 zijn vervangen door kleurige kleding; veel mensen gaan uitgesproken modieus gekleed en gekapt; we zien jonge stellen hand in hand op straat lopen, zelfs elkaar in het openbaar kussen. De winkels liggen vol met Chinese en Westerse produkten, clandestiene geldwisselaars zijn schaars geworden, en ondanks de nog steeds abominabel lage salarissen wordt er overal gekocht (hoe mensen rondkomen is ons een raadsel). Rijen staan er alleen bij de stations. Er is een enorm binnenlands toerisme op gang gekomen, waardoor het wegblijven van veel buitenlanders sinds 1989 niet zo opvalt.

Kleine vreugden

We zijn naar China gereisd over land, via de Sovjet-Unie, en het contrast tussen Moskou en Peking is kolossaal. Economisch valt de vergelijking sterk in het voordeel van China uit. In Rusland lijkt het economische leven zo ongeveer stil te staan, voor de onappetijtelijke en vrijwel lege staatswinkels staan overal lange rijen. Een eenvoudig kopje koffie is niet te krijgen. Ondanks de enorme vraag men bulkt van de roebels komen particuliere initiatieven, in de vorm van de sinds een paar jaar mogelijke cooperaties, heel stroef van start.

China heeft na 1978 allerlei nieuwe vormen van economische activiteit toegestaan, en mensen zijn hier ook gretig op ingesprongen. Aan potentiele ondernemers is in China nooit gebrek geweest. Evenals in het Westen zijn eigendom en management nu in veel gevallen gescheiden; sommige staatsbedrijven zijn verpacht aan cooperaties of zelfs aan individuen; daarnaast bestaan particuliere bedrijven, meestal kleine. De sectoren die het straatbeeld bepalen, zoals winkels, restaurants en transport zijn daardoor zeer veelvormig; waar een vraag is, ontstaat een aanbod, en wie een beetje geld heeft hoeft zich de kleine vreugden van het leven net zo min te ontzeggen als in het Westen. Van de puriteinse Mao-periode is weinig meer over dan een bittere herinnering.

Het contrast tussen Moskou en Peking laat zien hoe weinig de situatie in de twee grootste communistische landen met de erfenis van Marx te maken heeft, en hoe diep de historische wortels van het heden zijn. In de Transsiberie-express las ik Tolstoy's 'Anna Karenina', geschreven in 1877. De eigenlijke hoofdpersoon, Levin, via wiens ideeen Tolstoy zelf spreekt, zoekt tevergeefs naar wegen om de Russische boeren te interesseren in modernisering en verbetering van hun lot; hij ontmoet alleen passiviteit en zelden een interesse in de kwaliteit van het werk.

Het had vandaag geschreven kunnen zijn, ook over de Russische stedeling. Het viel ons op dat Russische bouwvakkers niet recht kunnen metselen: de nieuwste flats zitten schots en scheef in elkaar. Chinezen kunnen dit wel, al zien veel nog nieuwe gebouwen er ook bij hen al verwaarloosd uit.

Politiek gezien is bij de vergelijking tussen Moskou en Peking het voordeel aan de Sovjet-kant. Waar ik in 1983 nog de ervaring had dat sommige voorbijgangers wie ik in Moskou de weg vroeg, angstig doorliepen om niet in gesprek met een vreemdeling gesignaleerd te worden, werden we nu door een onbekende vrouw in een park op de koffie gevraagd ze sprak gebroken Duits. De gids van Intourist kritiseerde vrijelijk allerlei autoriteiten. De kiosk verkocht een ecologische krant die controversieel materiaal bevatte. In de Arbatstraat bood een karikaturist tekeningen aan van Brezjnev en Jeltsin; alleen Gorbatsjov scheen nog niet te mogen.

Voorzichtigheid

In China overheerst bij politieke discussies de voorzichtigheid. Men begint zachter te praten. Wij wilden weten hoe het gaat met de Chinese studenten die in juni 1989 in het buitenland studeerden en zich openlijk achter de demonstranten op het Plein schaarden. Een oudere professor legt ons uit dat zij niets te vrezen hebben. 'Onze regering gaat ervan uit dat zij daarginds niet goed waren voorgelicht en dat dit hun niet kwalijk genomen kan worden'.

Een jonge medewerkster heeft, in vertrouwen, zo haar twijfels. 'Ze worden nu niet lastig gevallen, maar wat gebeurt er met hun carriere?'.

Aan de andere kant: de oude heren die Pekings nieuwe 'Verboden Stad' bewonen, hebben niet het eeuwige leven. Iedereen is het erover eens dat er verdere veranderingen gaan komen, maar welke en wanneer? Alle jonge mensen die we spreken willen weg naar het beloofde land: Amerika op zijn minst om er te studeren, misschien om er te blijven.

In de grote boeddhistische tempel van Peking zijn twee galerijen met erotische beelden. Hier kregen de aanstaande keizers van China hun seksuele opvoeding. 'Deze plek', zegt onze begeleider van het moment, 'is een graadmeter voor de politieke vrijheid in ons land. Voor 1978 waren de galerijen op slot. Daarna gingen ze open, maar de beelden werden aangekleed. Midden 1980 mochten de beelden open en bloot getoond worden. Sinds 1989 zijn ze weer aangekleed.'