AFASIE

Er bleef een naar en licht gegeneerd gevoel in me nadrein zen toen ik na ruim een uur lezen Dr. L. de Jongs Opkrabbelen uit had. Naar omdat De Jong iets afschuwelijks beschrijft: de gevolgen van een hersenbloeding. Gegeneerd omdat die gevolgen zo ontluisterend zijn. Vorig jaar juli, midden onder devoorbereidingen voor de televisieserie De Bezetting zakte De Jong in elkaar.

Hij kon geen woord meer uitbrengen en de rechterkant van zijn lichaam was verlamd. Zo erg bleef het maar even, al snel begon hij 'op te krabbelen'. In chronologisch geordende fragmenten beschrijft De Jong hoe dat ging. Het eerste stapje is dat hij zichzelf weer scheert, maar aan het eind van het boekje, dat een periode van ongeveer acht maanden beslaat, is scheren nog steeds niet wat het geweest is. Het gaat te langzaam, en het maakt voor zijn gevoel meer geluid dan vroeger. Met behulp van een logopediste leert hij weer praten. Maar alweer: ook dat gaat nog steeds niet als vanouds. Het kost meer moeite, en zelfs als De Jong die moeite doet is het resultaat niet zoals hij zou willen. De juiste woorden vinden lukt vaak niet, en hij mist zijn gebruikelijke flexibiliteit in denken en formuleren. Voor fietsen, in het openbaar optreden en, het ergst van alles: voelen, geldt feitelijk hetzelfde. 1 Het is anders en minder. De Jong is een stuk van zichzelf kwijt. Hij schrijft dat ook letterlijk zo op, maar uit zijn boekje (dat overigens het eerste autobiografische verslag van een afasiepatient in Nederland is), spreekt op elke bladzijde de leegte en de eenzaamheid die dat met zich meebrengt. Ook als hij gewoon de gebeurtenissen rond De Bezetting beschrijft, of een fietstochtje. Over alles ligt een vlakheid die ik huiveringwekkend vind. Hij schrijft zelf ook dat zijn toestand, zeker in het begin, om te huilen was, maar dat hij niet huilde. Vlak nadat hij geveld was voelde hij absoluut niets voor zijn vrouw of kinderen. Wel moet hij veel denken aan zijn vorige vrouw en haar dood, tien jaar geleden. En nu nog steeds is hij telkens geneigd om 'Liesbeth' tegen zijn huidige vrouw te zeggen in plaats van 'Riel'. Pijnlijk, vindt ook hij. Nog pijnlijker vind ik het om tussen de regels door te lezen dat De Jongs gevoelens voor vrouw en kinderen niet meer echt teruggekomen zijn. Oh jee, ja, ze zijn lief, doen hun best, komen op bezoek, rijden hem naar logopedieles en Riel kookt fantastisch, maar De Jong is er niet meer echt bij. Voor wie van de betrokkenen dat het ergste is weet ik niet. Het feit dat vrijwel iedereen in Nederland De Jong kent en een beeld heeft van hoe hij was, maakt Opkrabbelen een dramatischer verhaal dan het zou zijn van een volslagen onbekende.

Maar laten we de persoonlijke kant even rusten, dan houden we een boekje over dat ik in ieder geval van begin tot eind geboeid heb uitgelezen. Hoe exemplarisch De Jongs belevenissen zijn is moeilijk te zeggen: elke hersenbloeding, elke afasie is anders, maar ik denk dat Opkrabbelen toch een inkijkje geeft dat maar zelden te verkrijgen is. Jammer alleen nu weer dat de neuroloog Ansink in zijn nawoord blijk geeft aan dezelfde kwaal te lijden als veel van zijn collega's: van wat taal is heeft hij maar weinig idee. Afasie noemt hij 'een stoornis in het gebruik van de taal'. Stoornissen in het gebruik krijg je als je tong verlamd is, of je stembanden het niet meer doen. Bij afasie, en dat maakt het zo'n vreselijke aandoening, is de taal zelf in het geding. Dat we van het hoe en waarom daarvan nog maar akelig weinig weten had Ansink wat mij betreft ook wel mogen vermelden.

    • Sdu 1990